7 dingen om zich van te onthouden
- Afgoden (Handelingen 15:20)
- Overspel (Handelingen 15:20,29; 1 Thessalonicenzen 4:2-3)
- Verstikt vlees (Handelingen 15:20)
- Het eten van bloed (Handelingen 15:20)
- Aan afgoden geofferd vlees (Handelingen 15:29)
- Alle vormen van kwaad (1 Thessalonicenzen 5:22)
- Vleselijke lusten (1 Petrus 2:11)
7 dingen om te vermijden
- Onruststokers (Romeinen 16:17)
- Ongoddelijk en ijdel geklets (1 Timotheüs 6:20)
- Leugenachtige wetenschap (1 Timotheüs 6:20)
- Vragen die twist voortbrengen (2 Timotheüs 2:23)
- Dwaze vragen (Titus 3:9)
- Geslachtsrekeningen (Titus 3:9)
- Strijd over de wet (Titus 3:9)
3 dingen die gevraagd moeten worden
- Bidt en u zal gegeven worden (Mattheüs 7:7)
- Vraag geen goederen terug (Lucas 6:30)
- Vraag leven voor afvalligen (1 Johannes 5:16)
2 dingen om tot te ontwaken
- Waak op tot gerechtigheid (1 Corinthiërs 15:34)
- Ontwaakt tot het leven (Efeziërs 5:14)
74 geboden om te doen of te zijn
- Verheugt u (Mattheüs 5:12)
- Verzoent u eerst met u broeder (Mattheüs 5:24)
- Weest volmaakt (Mattheüs 5:48; 2 Corinthiërs 13:11)
- Zijt voorzichtig gelijk de slangen (Mattheüs 10:16)
- Zijt oprecht gelijk de duiven (Mattheüs 10:16)
- Weest bereid voor de komst van Christus (Mattheüs 24:44; Lucas 12:40)
- Laat u vergenoegen met uw bezoldigingen (Lucas 3:14)
- Weest barmhartig zoals God (Lucas 6:36)
- Weest als getrouwe dienstknechten (Lucas 12:36)
- Weest dankbaar (Kolossenzen 3:15)
- Zijt vreedzaam onder elkaar (1 Thessalonicenzen 5:13)
- Zijt lankmoedig jegens allen (1 Thessalonicenzen 5:14; 2 Timotheüs 2:24)
- Heb geen gemeenschap met de zonde (1 Timotheüs 5:22)
- Weest nuchter en hoopt (1 Petrus 1:13)
- Zijt nuchter en bid (1 Petrus 4:7)
- Zijt nuchter, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid (oudere mannen, Titus 2:2)
- Weest voorzichtig, hebt uw mannen en kinderen lief (jonge vrouwen, Titus 2:4)
- Zijt matig (jonge mannen, Titus 2:6)
- Zijt in gedrag gelijk de heiligen betaamt (oudere vrouwen, Titus 2:3)
- Zijt matig, kuis, bewaart het huis, weest goed, onderdanig (jonge vrouwen, Titus 2:5)
- Zijt bereid tot verantwoording van de hoop die in u is (1 Petrus 3:15)
- Hebt goeden moed (Johannes 16:33)
- Wordt gedoopt (Handelingen 2:38)
- Bekeert u (Handelingen 3:19)
- Wordt veranderd (Romeinen 12:2)
- Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde (Romeinen 12:10; Efeziërs 4:32)
- Zijt vurig van geest (Romeinen 12:11)
- Zijt geduldig in de verdrukking (Romeinen 12:12)
- Tracht naar herbergzaamheid (Romeinen 12:13)
- Weest bevreesd, indien wetteloos (Romeinen 13:4)
- Weest geen afgodendienaar (1 Corinthiërs 10:7)
- Weest Paulus navolgers, zoals hij Christus navolgde (1 Corinthiërs 11:1; Filipenzen 3:17)
- Zijt navolgers God (Efeziërs 5:1)
- Zijt volgers van de gelovigen en lankmoedigen (Hebreeën 6:12)
- Weest geen kinderen in het verstand (1 Corinthiërs 14:20)
- Wordt in het verstand volwassen (1 Corinthiërs 14:20)
- Zijt standvastig (1 Corinthiërs 15:58)
- Zijt onbewegelijk (1 Corinthiërs 15:58)
- Weest altijd overvloedig in het werk van de Heer (1 Corinthiërs 15:58)
- Zijt sterk in de Heer (1 Corinthiërs 16:13; Efeziërs 6:10; 2 Timotheüs 2:1)
- Zijt getroost (2 Corinthiërs 13:11)
- Weest eensgezind (Romeinen 12:16; 2 Corinthiërs 13:11; Filipenzen 2:2; 1 Petrus 3:8)
- Scheidt u af van het onreine (2 Corinthiërs 6:17)
- Weest vernieuwd in de geest (Efeziërs 4:23)
- Wordt toornig en zondig niet (Efeziërs 4:26)
- Zijt goedertieren jegens elkander (Efeziërs 4:32)
- Wordt vervuld met den Geest (Efeziërs 5:18)
- Zijt gelijkgestemd (Filipenzen 2:2)
- Zijt van een gemoed (Filipenzen 2:2)
- Weest in geen ding bezorgd (Filipenzen 4:6)
- Zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid (1 Timotheüs 4:12)
- Weest deelnemer aan het lijden van Christus (2 Timotheüs 1:8; verg. 1 Petrus 4:1)
- Weest vriendelijk jegens allen (2 Timotheüs 2:24)
- Weest bekwaam om te leren (2 Timotheüs 2:24)
- Houd aan, tijdelijk en ontijdelijk (2 Timotheüs 4:2)
- Sta in voor goede werken (Titus 3:8,14; verg. Mattheüs 5:16)
- Zijt vergenoegd met wat u hebt (Hebreeën 13:5)
- Zijt daders des Woords (Jacobus 1:22)
- Gedraagt u als ellendigen en treurt (Jacobus 4:9)
- Zijt lankmoedig tot de terugkomst van Christus (Jacobus 5:7-8)
- Weest heilig in al uw wandel (gedrag) (1 Petrus 1:15-16)
- Zijt medelijdend (1 Petrus 3:8)
- Zijt vriendelijk (1 Petrus 3:8)
- Weest voorbeelden der kudde, niet als heerschappij voerende over Gods erfdeel (1 Petrus 5:3)
- Zijt elkander onderdanig (1 Petrus 5:5)
- Zijt met ootmoedigheid bekleed (1 Petrus 5:5)
- Weest nuchter (1 Petrus 5:8)
- Waakt (1 Petrus 5:8)
- Zijt gedachtig aan profetieën en geboden (2 Petrus 3:2)
- Benaarstigt u dat gij bevonden moogt worden in vrede (2 Petrus 3:14)
- Benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk zijt (2 Petrus 3:14)
- Zijt getrouw tot den dood (Openbaring 2:10)
- Zijt wakende en versterk het overige (Openbaring 3:2)
- Weest ijverig en bekeert u (Openbaring 3:19)
30 geboden om niet te doen of te zijn (verboden)
- Weest niet gelijk de geveinsden wanneer gij bidt (Mattheüs 6:5)
- Weest niet gelijk de heidenen in gebed (Mattheüs 6:7)
- Weest niet gelijk de geveinsden wanneer gij vast (Mattheüs 6:16)
- Gij zult niet "Rabbi" genaamd worden (Mattheüs 23:8)
- Noch zult gij “meester” genoemd worden (Mattheüs 23:10)
- Vreest niet de mensen (Lucas 12:4)
- Weest niet wankelmoedig (Lucas 12:29)
- Zijt niet vele meesters (Jacobus 3:1)
- Vreest niet uit vreze voor hen (1 Petrus 3:14)
- Wordt niet ontroerd (1 Petrus 3:14)
- Weest niet onverschillig met de tijd van God (2 Petrus 3:8; verg. JESAJA 57:16)
- Dwaalt niet: 10 groepen die het Koninkrijk niet beërven (1 Corinthiërs 6:9-10)
- Wordt dezer wereld niet gelijkvormig (Romeinen 12:2)
- Zijt niet traag in het benaarstigen (Romeinen 12:11)
- Zijt niet wijs bij uzelven (Romeinen 12:16)
- Wordt door het kwade niet overwonnen (Romeinen 12:21)
- Wordt geen dienstknechten der mensen (1 Corinthiërs 7:23)
- Weest geen kinderen in het verstand (1 Corinthiërs 14:20)
- Weest niet misleid door kwaad gezelschap (1 Corinthiërs 15:33)
- Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen (2 Corinthiërs 6:14-15)
- Wordt niet wederom bevangen met het houden van de wet (Galaten 5:1. Zie: 'vijfentachtig Oude en Nieuwe verbondscontrasten')
- Dwaalt niet: wat de mens zaait, zal hij oogsten (Galaten 6:7-8)
- Zijt geen medegenoten van zondaars (Efeziërs 5:7)
- Zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij (Efeziërs 5:17)
- Wordt niet dronken van wijn (Efeziërs 5:18)
- Vertraagt er niet in goed te doen (2 Thessalonicenzen 3:13)
- Schaam u niet voor het getuigenis onzes Heeren (2 Timotheüs 1:8)
- Wordt niet traag (Hebreeën 6:12)
- Vergeet de herbergzaamheid niet (Hebreeën 13:2)
- Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen (Hebreeën 13:9)
14 maal wacht u voor en soortgelijke geboden
- Wacht u voor valse profeten (Mattheüs 7:15)
- Wacht u voor de mensen (Mattheüs 10:17)
- Wacht u voor den zuurdesem (leer) der farizeeën (Mattheüs 16:6-12)
- Wacht u voor de zuurdesem (leer) van Heródes (Marcus 8:15)
- Wacht uzelven voor geveinsdheid (Lucas 12:1)
- Wacht u voor gierigheid (Lucas 12:15)
- Wacht u voor de schriftgeleerden (MARK 12:38; Lucas 20:46)
- Let erop dat u niet God veracht en omkomt (Handelingen 13:40-41)
- Ziet op de honden (valse leraren) (Filipenzen 3:2; Jesaja 56:10)
- Ziet toe op de kwade arbeiders (Filipenzen 3:2)
- Ziet toe op de versnijding (Joden, Filipenzen 3:2)
- Ziet toe niet vervoerd te worden door filosofie (Kolossenzen 2:8)
- Ziet toe niet vervoerd te worden door ijdele verleiding (Kolossenzen 2:8)
- Wacht u er voor dat u niet afvalt (2 Petrus 3:17)
4 dingen om (in) te geloven
- Het evangelie (Marcus 1:15)
- Gods bestaan (Hebreeën 11:6)
- Jezus Christus (1 Johannes 3:23)
- God beloont hen die naarstig zoeken (Hebreeën 11:6)
1 ding om niet te geloven
- Gelooft niet een iegelijken geest (1 Johannes 4:1)
2 categorieën om te zegenen
- Degenen die u vervloeken (Mattheüs 5:44; Lucas 6:28)
- Vervolgers (Romeinen 12:14)
3 dingen om te ver weg te werpen
- De balk uit uw oog (Mattheüs 7:5; Lucas 6:42)
- Duivels (Mattheüs 10:8)
- Al uw bekommernis op God (1 Petrus 5:7)
2 categorieën om te troosten
- Christenen onder elkaar (1 Thessalonicenzen 4:18; 1 Thessalonicenzen 5:11)
- De kleinmoedigen (1 Thessalonicenzen 5:14)
6 groepen om te eren
- Vaders (Mattheüs 19:19; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Efeziërs 6:2)
- Moeders (Mattheüs 19:19; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Efeziërs 6:2)
- De andere (Romeinen 12:10)
- Weduwen (1 Timotheüs 5:3)
- Alle mensen (1 Petrus 2:17)
- Koningen - regeerders (1 Petrus 2:17)
5 bevelen
- Onberispelijk te zijn (1 Timotheüs 5:7)
- De rijke niet hoogmoedig te zijn (1 Timotheüs 6:17)
- De rijke in God te vertrouwen (1 Timotheüs 6:17)
- De rijke weldadig te zijn (1 Timotheüs 6:18)
- De rijke het eeuwige leven te verkrijgen (1 Timotheüs 6 :19)
5 dingen om over na te denken
- De raven (Lucas 12:24)
- De leliën (Lucas 12:27-28)
- Waarheid (2 Timotheüs 2:7)
- Dat een mens vallen kan (Galaten 6:1)
- Christus (Hebreeën 3:1; Hebreeën 12:3)
3 dingen om voortdurend een plaats te geven
- Liefde (Johannes 15:9)
- Gebed (Romeinen 12:12; Kolossenzen 4:2)
- Waarheid (2 Timotheüs 3:14)
2 dingen om te begeren
- De beste gaven (1 Corinthiërs 12:31)
- Te profeteren (1 Corinthiërs 14:39); verg: dingen om niet te begeren (Exodus 20:17; Deuteronomium 5:21)
1 ding om niet te verwerpen
- Je vrijmoedigheid in God (Hebreeën 10:35)
2 dingen om te verdragen
- Verdrukkingen (2 Timotheüs 2:3)
- Lijden (2 Timotheüs 4:5)
1 categorie om te vrezen
- God (Mattheüs 10:28; Lucas 12:5; 1 Petrus 2:17; Openbaring 14:7)
3 categorieën om niet te vrezen
- Mensen (Mattheüs 10:28; Lucas 12:5)
- Vervolgers (Mattheüs 10:26)
- Geen gebrek aan voorzienigheid (Mattheüs 10:31; Marcus 6:8-9; Lucas 12:7)
5 dingen om te voeden
- Vijanden (Romeinen 12:20)
- Lammeren (Johannes 21:15)
- Schapen (Johannes 21:16-17)
- De kudde Gods (1 Petrus 5:2)
- De kerk (Handelingen 20:28)
4 dingen om van te ‘vlieden’
- Hoererij (1 Corinthiërs 6:18)
- Afgodendienst (1 Corinthiërs 10:14)
- Schadelijke begeerlijkheden (1 Timotheüs 6:9-11)
- De begeerlijkheden der jonkheid (2 Timotheüs 2:22)
10 maal ‘Doe’
- Doet wel degenen die u haten (Mattheüs 5:44; Lucas 6:27)
- Doet aan anderen wat gij van hen verwacht (Mattheüs 7:12; Lucas 6:31)
- Doet niemand overlast aan (Lucas 3:14)
- Doet goed (Lucas 6:35; Romeinen 13:3)
- Doet dit (God voorop stellen) en leef (Lucas 10:28)
- Doet het al ter ere Gods (1 Corinthiërs 10:31; Kolossenzen 3:17,23)
- Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken (Filipenzen 2:14)
- Doet hetgeen gij in mij gezien en gehoord hebt (Paulus, Filipenzen 4:9)
- Doet uw eigen dingen (1 Thessalonicenzen 4:11)
- Doe het werk van een evangelist (2 Timotheüs 4:5)
10 keer ‘Doe Niet’ en andere geboden
- Doe uw aalmoes niet voor de mensen (Mattheüs 6:1)
- Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten (Mattheüs 6:2)
- Doet niet de werken der farizeeën (Mattheüs 23:3-33)
- Laat ons niet liefhebben met den woorde alleen (1 Johannes 3:18)
- Begeef je niet tot fabelen (1 Timotheüs 1:4)
- Begeef je niet tot geslachtsrekeningen (1 Timotheüs 1:4)
- Dwaalt niet (Jacobus 1:16)
- Gij zult geen overspel doen (Jacobus 2:11)
- Gij zult niet doden (Jacobus 2:11)
- Wordt niet gelijkvormig aan begeerlijkheden van vroeger (1 Petrus 1:14)
10 dingen om te volgen
- Christus (Mattheüs 4:19; Mattheüs 8:22; Mattheüs 16:24; Marcus 8:34; Marcus 10:21; Lucas 9:23; Johannes 21:19)
- Liefde (1 Corinthiërs 14:1; 1 Timotheüs 6:11; 2 Timotheüs 2:22)
- Het goede (1 Thessalonicenzen 5:15; 3 Johannes 1:11)
- Gerechtigheid (1 Timotheüs 6:11; 2 Timotheüs 2:22)
- Godzaligheid (1 Timotheüs 6:11)
- Geloof (1 Timotheüs 6:11; 2 Timotheüs 2:22)
- Lijdzaamheid (1 Timotheüs 6:11)
- Zachtmoedigheid (1 Timotheüs 6:11)
- Vrede (2 Timotheüs 2:22; Hebreeën 12:14)
- Heiligheid (Hebreeën 12:14)
7 dingen over het geven
- Het is bevolen: geef (Lucas 6:38)
- Aan wie te geven:
- Die iets van u bidt (Mattheüs 5:42; Lucas 6:30)
- De behoeften der heiligen (Romeinen 12:13)
- God (Kolossenzen 3:17; Openbaring 14:7)
- Aan wie niet te geven:
- Geef niets wat heilig is aan rebellen (Mattheüs 7:6)
- Geef satan geen plaats (Efeziërs 4:27)
- Wat te geven:
- Heilige dingen (Mattheüs 7:6; Mattheüs 10:8)
- Geef dank (Efeziërs 5:20; Filipenzen 4:6; Kolossenzen 3:17; 1 Thessalonicenzen 5:18)
- Geef tijd voor lezen, vermaning, lering (1 Timotheüs 4:13)
- Geef jezelf geheel (1 Timotheüs 4:15)
- Geef eer aan God (Openbaring 14:7)
- Wat niet te geven:
- Geef geen aanstoot (1 Corinthiërs 10:32)
- Geef geen acht op fabelen en geboden der mensen (Titus 1:14)
- Hoe te geven:
- Vrijmoedig (Mattheüs 10:8; 2 Corinthiërs 9:6)
- Een goede maat (Lucas 6:38)
- Naardat men welvaren verkregen heeft (1 Corinthiërs 16:2)
- Vrijwillig (2 Corinthiërs 8:12)
- Met een doel (2 Corinthiërs 9:7)
- Blijmoedig (2 Corinthiërs 9:7)
- Beloofde zegeningen wanneer je geeft:
- Teruggave op basis van geven (Lucas 6:38; 2 Corinthiërs 9:6)
- Beloning (Mattheüs 10:42)
- Alle genade overvloedig hebbende (2 Corinthiërs 9:8)
- Alle genade overvloedig (2 Corinthiërs 9:8)
- Eeuwige gerechtigheid (2 Corinthiërs 9:9)
- Vermeerderde vruchten (2 Corinthiërs 9:10)
- Rijk worden in alles (2 Corinthiërs 9:11)
6 dingen om af te leggen
- Boosheid (Jacobus 1:21)
- Alle kwaadheid (1 Petrus 2:1)
- Alle bedrog (1 Petrus 2:1)
- Alle schijnheiligheid (1 Petrus 2:1)
- Alle nijdigheid (1 Petrus 2:1)
- Alle kwaadsprekerij (1 Petrus 2:1)
7 dingen om te houden
- Houdt de geboden (Mattheüs 19:17; Johannes 14:15)
- Vermengt u niet met de 6 soorten zogenaamde christenen uit 1 Corinthiërs 5:11
- Bewaar uzelven rein (1 Timotheüs 5:22)
- Houdt de geboden van het evangelie totdat Christus terugkomt (1 Timotheüs 6:14)
- Bewaar het goede pand dat je toebetrouwd is (2 Timotheüs 1:14)
- Bewaart uzelven van de afgoden (1 Johannes 5:21)
- Bewaart uzelven in Gods liefde (Judas 1:21)
5 keer ‘Gaat’
- Gaat twee mijlen (Mattheüs 5:41)
- Gaat en onderwijst (Mattheüs 28:19-20)
- Gaat en predikt (Marcus 16:15)
- Gaat niet van huis tot huis (Lucas 10:7)
- Gaat heen en doe gij desgelijks (Lucas 10:37)
7 keer ‘Hebt’
- Hebt geloof (Marcus 11:22; Romeinen 14:22-23)
- Hebt geen gemeenschap met de duisternis (Efeziërs 5:11)
- Hebt geen aanneming des persoons (1 Timotheüs 5:21; Jacobus 2:1-10)
- Hebt een eerlijke wandel (1 Petrus 2:12)
- Hebt barmhartigheid (1 Petrus 3:8; Judas 1:22)
- Hebt een goed geweten (1 Petrus 3:16)
- Hebt vurige liefde (1 Petrus 4:8)
14 keer ‘Houd’
- Voorthoudende het Woord des levens (Filipenzen 2:16)
- Behoudt het goede (1 Thessalonicenzen 5:21)
- Houd christelijke tradities (2 Thessalonicenzen 2:15; 2 Thessalonicenzen 3:6)
- Houd geloof (1 Timotheüs 1:19; 1 Timotheüs 3:9)
- Houd een goed geweten (1 Timotheüs 1:19)
- Houd de gezonde woorden (2 Timotheüs 1:13)
- Houd de gezonde woorden (Openbaring 2:25)
- Houd dat gij hebt (Openbaring 3:11)
- Houd uw kroon (Openbaring 3:11)
- Houd dienaren in waarde (Filipenzen 2:29)
- Houd het eeuwige leven (1 Timotheüs 6:12,19)
- Houd hoop (Hebreeën 6:18)
- Houd de roem der hoop (Hebreeën 3:6,14)
- Houd wat gij ontvangen en gehoord hebt (Openbaring 3:3)
100 keer ‘Laat’ en andere geboden
- Laat uw licht schijnen (Mattheüs 5:16; Lucas 12:35)
- Laat zijn uw woord ja, neen (Mattheüs 5:37; Jacobus 5:12)
- Laat uw vijand ook uw mantel (Mattheüs 5:40; Lucas 6:29)
- Laat blinde leidslieden varen (Mattheüs 15:14)
- Laat een ieder zichzelf verloochenen (Mattheüs 16:24; Marcus 8:34; Lucas 9:23)
- Laat een ieder zijn kruis op nemen (Mattheüs 16:24; Marcus 8:34; Marcus 10:21; Lucas 9:23)
- Laat hem horen (Marcus 4:23; Lucas 14:35)
- Laat hem delen met de behoeftigen (Lucas 3:11)
- Laat uw lendenen omgord zijn (Lucas 12:35)
- Laat een ieder zijn male en buidel nemen (Lucas 22:36)
- Laat hem zijn kleed verkopen en een zwaard kopen (Lucas 22:36)
- Laat uw liefde ongeveinsd zijn (Romeinen 12:9)
- Laat een ieder de wetten van het land gehoorzamen (Romeinen 13:1)
- Laat een ieder zijn eigen sabbatdag kiezen (Romeinen 14:5-7; Kolossenzen 2:14-17)
- Laat een ieder erop toezien hoe hij bouwt op Christus (1 Corinthiërs 3:10)
- Niemand bedriege zichzelven (1 Corinthiërs 3:18)
- Laat iedere man zijn eigen vrouw hebben (1 Corinthiërs 7:2)
- Laat ieder vrouw haar eigen man hebben (1 Corinthiërs 7:2)
- Laat echtgenoten elkaar bevredigen in hun seksuele relatie (1 Corinthiërs 7:4-5)
- Laat hen die zich niet kunnen onthouden, trouwen (1 Corinthiërs 7:9)
- Laat mannen en vrouwen ongetrouwd blijven als ze elkaar verlaten of zich weer verzoenen (1 Corinthiërs 7:11)
- Laat de ongelovige scheiden die wil scheiden (1 Corinthiërs 7:15)
- Laat iedere man in zijn roeping blijven (1 Corinthiërs 7:17-24)
- Laat niemand besnijding ongedaan proberen te maken (1 Corinthiërs 7:18)
- Laat niemand zich besnijden (als een religieus ritueel, 1 Corinthiërs 7:18)
- Laat een vader zijn dochter ten huwelijk geven als zij dat wenst (1 Corinthiërs 7:36-38)
- Laat hem die meent te staan toezien dat hij niet valle (1 Corinthiërs 10:12)
- Laat niemand uit eigenbelang rijkdom zoeken (1 Corinthiërs 10:24)
- Laat de vrouw haar haar snijden als zij niet bedekt is (1 Corinthiërs 11:6)
- Laat de vrouw zich bedekken als het lelijk is voor haar geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben (1 Corinthiërs 11:6)
- Laat iedereen zichzelf onderzoeken wanneer hij brood en beker neemt (1 Corinthiërs 11:28)
- Laat de hongerige thuis eten, niet tijdens brood en beker (1 Corinthiërs 11:34)
- Laat degene die in tongen spreekt, bidden voor de uitlegging ervan (1 Corinthiërs 14:13)
- Laat alle dingen geschieden tot stichting (1 Corinthiërs 14:26)
- Laat ten hoogste drie in tongen spreken tijdens een dienst (1 Corinthiërs 14:27)
- Laat één het uitleggen (1 Corinthiërs 14:27)
- Laat het gevoelen van Christus in u zijn (Filipenzen 2:5)
- Laat uw bescheidenheid alle mensen bekend zijn (Filipenzen 4:5)
- Laat uw begeerten bekend worden bij God (Filipenzen 4:6)
- Laat u dan niemand oordele in spijs of in drank, heilige dagen, nieuwe maan en sabbatdagen (Kolossenzen 2:14-17; Romeinen 14:5-7)
- Laat niemand uw beloning beroven door een ijdele religie (Kolossenzen 2:18)
- Laat vrede in uw hart heersen (Kolossenzen 3:15)
- Laat het Woord in u wonen (Kolossenzen 3:16)
- Laat uw woorden aangenaam zijn (Kolossenzen 4:6)
- Laat niemand u verleiden over de dag van Christus die komt (2 Thessalonicenzen 2:3)
- Laat niemand uw jonkheid verachten (1 Timotheüs 4:12)
- Laat de spreker in tongen zwijgen in de gemeente dat hij tot zichzelf en God spreke als er geen uitlegger is (1 Corinthiërs 14:28)
- Laat twee of drie profeten spreken en dat de anderen oordelen (1 Corinthiërs 14:29)
- Laat de een na de ander profeteren (1 Corinthiërs 14:30)
- Laat de vrouwen stil leren in de gemeente of thuis. (1 Corinthiërs 14:34-35; 1 Timotheüs 2:11)
- Laat een ieder erkennen dat de regeling der geestelijke gaven de geboden van de Heere zijn (1 Corinthiërs 14:37)
- Laat de rebellerende tegen de waarheid onwetend blijven (1 Corinthiërs 14:38)
- Laat alle dingen worden gedaan in goede orde (1 Corinthiërs 16:2)
- Laat een ieder geven naar dat hij van God welvaren verkregen heeft (1 Corinthiërs 16:2)
- Laat alles in liefde geschieden (1 Corinthiërs 16:14)
- Laat een ieder blijmoedig geven (2 Corinthiërs 9:7)
- Laat hen die rebelleren tegen de waarheid, vervloekt zijn (1 Corinthiërs 16:22; Galaten 1:8-9)
- Laat een ieder zijn eigen werk beproeven (Galaten 6:4)
- Laat hen die onderwezen worden hem steunen die onderwijst (Galaten 6:6)
- Laat de dief niet meer stelen (Efeziërs 4:28)
- Laat de dief werken inplaats van te stelen zodat hij anderen kan geven (Efeziërs 4:28)
- Laat geen vuile rede uit uw mond komen (Efeziërs 4:29)
- Laat bitterheid, toornigheid, gramschap, geroep en lastering en alle boosheid van u weg (Efeziërs 4:31)
- Laat niemand u verleiden met ijdele woorden (Efeziërs 5:6)
- Laat de vrouwen aan hun mannen onderworpen zijn (Efeziërs 5:22,24; Kolossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1-6)
- Laat de mannen hun vrouwen lief hebben (Efeziërs 5:25,28,33; Kolossenzen 3:19; 1 Petrus 3:7)
- Laat de vrouwen hun mannen vreze (Efeziërs 5:33)
- Laat u wandel waardig zijn zoals het voor het Evangelie van Christus hoort (Filipenzen 1:27)
- Doet geen ding door twisting of ijdele eer (Filipenzen 2:3)
- Laat de een de ander uitnemender achten dan zichzelven (Filipenzen 2:3)
- Laat de ouderlingen die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden (betaald worden) (1 Timotheüs 5:17)
- Laat dienstknechten hun meesters eren (1 Timotheüs 6:1)
- Laat meesters hun dienstknechten respecteren (1 Timotheüs 6:2)
- Laat iedere christen afstand nemen van ongerechtigheid (2 Timotheüs 2:19)
- Dat niemand u verachten (Titus 2:15)
- Dat de broederlijke liefde blijft (Hebreeën 13:1)
- Uw wandel zij zonder geldgierigheid (Hebreeën 13:5)
- Laat lijdzaamheid volmaakt zijn (Jacobus 1:4)
- Laat iemand die wijsheid ontbreekt God erom vragen (Jacobus 1:5)
- Laat hem vragen in geloof (Jacobus 1:6)
- Laat de verhevene zich verheugen (Jacobus 1:9)
- Laat de nederige zich verheugen (Jacobus 1:10)
- Laat niemand zeggen ik wordt verzocht door God (Jacobus 1:13)
- een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn (Jacobus 1:19)
- Laat de verstandige zijn wijsheid en kennis bewijzen (Jacobus 3:13)
- Laat de lichthartige zondaars berouw krijgen (Jacobus 4:9)
- Laat degene die lijdt, bidden (Jacobus 5:13)
- Laat de blijmoedige psalmzingen (Jacobus 5:13)
- Laat de zieken de ouderlingen roepen (Jacobus 5:14)
- Laat de ouderlingen bidden voor de zieken, hen zalven met olie (Jacobus 5:14-15; verg. Marcus 6:13)
- Laat versiering meer innerlijk dan uiterlijk zijn (1 Petrus 3:3-4; 1 Timotheüs 2:9-10)
- Laat een ieder zijn tong weerhouden van kwaad en zijn lippen van bedrog (1 Petrus 3:10)
- Laat een ieder wijken van het kwaad, goed doen, de vrede zoeken en denzelve najagen (1 Petrus 3:11)
- Laat predikanten voor God spreken (1 Petrus 4:11)
- Laat niemand lijden als een doodslager, dief, kwaaddoener of bemoeizuchtige (1 Petrus 4:15)
- Laat niemand zich schamen die als een christen lijdt, maar dankbaar zijn (1 Petrus 4:16)
- Laat hen die lijden als christenen hun zielen bevelen aan God (1 Petrus 4:19)
- Laat het eeuwige leven in u blijven (1 Johannes 2:24-25)
- Laat niemand u misleiden over rechtvaardig zijn (1 Johannes 3:7)
- Laat hem die oren heeft, horen (Openbaring 2:7,11,17,29; Openbaring 3:6,13,22)
12 keer ‘Laat niet’
- Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet (Mattheüs 6:3)
- Laat geen mens hen die getrouwd zijn, scheiden (Mattheüs19:6)
- Laat van het goede geen kwaad gesproken worden (Romeinen 14:16)
- Laat de zonde niet in het lichaam heersen (Romeinen 6:12)
- Laat hem die eet, hem niet verachten die niet eet (Romeinen 14:3)
- Laat hem die niet eet, niet hem veroordelen die wel eet (Romeinen 14:3)
- Laat de vrouw niet van de man scheiden (1 Corinthiërs 7:10)
- Laat de man niet zijn vrouw verlaten (1 Corinthiërs 7:11)
- Laat de christen niet de ongelovige partner verlaten als die bij hem wil blijven (1 Corinthiërs 7:12-13)
- Laat de zon niet ondergaan over uw toornigheid (Efeziërs 4:26)
- Laat er geen hoererij, onreinigheid, gierigheid, vuiligheid, zot geklap en gekkernij genoemd worden onder u gelijkerwijs het den heiligen betaamt (Efeziërs 5:3-4)
- Laat onwaardige weduwen niet gesteund worden door de kerk (1 Timotheüs 5:9-16)
42 keer ‘Laten we’
- Laten ons eerlijk wandelen (Romeinen 13:13)
- Laten we afleggen de werken der duisternis (Romeinen 13:12)
- Laten we aandoen de wapenen des lichts (Romeinen 13:12)
- Laten ons najagen hetgeen tot den vrede dient (Romeinen 14:19)
- Laten we najagen hetgeen tot de stichting dient (Romeinen 14:19)
- Laat een ieder van ons zijn naaste behagen ten goede (Romeinen 15:2-3)
- Laten we oprecht zijn (1 Corinthiërs 5:8)
- Laten ons geen hoereerders zijn (1 Corinthiërs 10:8)
- Laten ons Christus niet verzoeken (1 Corinthiërs 10:9)
- Laten we niet murmureren (1 Corinthiërs 10:10)
- Laten we ons reinigen van de besmetting van lichaam en geest (2 Corinthiërs 7:1)
- Laten we de heiligmaking voleindigen (2 Corinthiërs 7:1)
- Laten we in de Geest wandelen (Galaten 5:25)
- Laten ons niet zoekers zijn van ijdele eer (Galaten 5:26)
- Laten we elkaar niet tergen (Galaten 5:26)
- Laten we elkaar niet benijden (Galaten 5:26)
- Laten we niet moede worden het goede te doen (Galaten 6:9)
- Laten we goed doen aan allen (Galaten 6:10)
- Laten we vooral goed doen aan mede christenen (Galaten 6:10)
- Laten wij die rijp zijn, jagen naar het doel (Filipenzen 3:14-15)
- Laten ons naar denzelfden regel wandelen (Filipenzen 3:16)
- Laten we hetzelfde gevoelen (Filipenzen 3:16)
- Laten we niet geestelijk slapen (1 Thessalonicenzen 5:6)
- Laten we waken en nuchter zijn (1 Thessalonicenzen 5:6,8)
- Laten ons vergenoegd zijn met voedsel en kleding (1 Timotheüs 6:8)
- Laten we vrezen onze ziel te verliezen (Hebreeën 4:1-2)
- Laten we ons benaarstigen naar onze verlossing (Hebreeën 4:11)
- Laten we aan onze belijdenis vasthouden (Hebreeën 10:23)
- Laten we met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade (Hebreeën 4:16; Hebreeën 10:19-23)
- Laten we doorgaan tot de volmaaktheid (Hebreeën 6:1)
- Let us draw near to God (Hebreeën 10:22)
- Laten we onze onderlinge bijeenkomsten voor aanbidding niet nalaten (Hebreeën 10:24)
- Laten we onze bijeenkomsten niet verzuimen (Hebreeën 10:25)
- Laten we elkaar vermanen (Hebreeën 10:25)
- Laten we ieder last afleggen (Hebreeën 12:1)
- Laten we de zonde die ons omringt afleggen (Hebreeën 12:1)
- Laten we de loopbaan met lijdzaamheid lopen (Hebreeën 12:1)
- Laten we op Jezus zien (Hebreeën 12:2)
- Laten we de genade vasthouden om God te dienen (Hebreeën 12:28)
- Laten we de smaad van Christus dragen (Hebreeën 13:13)
- Laten we voortdurend ons offer van lofprijs offeren (Hebreeën 13:15)
- Laten ons elkander liefhebben (1 Johannes 4:7,11)
8 keer ‘Laten we niet’
- Laten we niet wandelen in brasserijen (Romeinen 13:13)
- Laten we niet wandelen in dronkenschap (Romeinen 13:13)
- Laten we niet wandelen in ontuchtigheden (Romeinen 13:13)
- Laten we niet wandelen in losbandigheid (Romeinen 13:13)
- Laten we niet wandelen in twist (Romeinen 13:13)
- Laten we niet wandelen in nijdigheid (Romeinen 13:13)
- Laten we elkaar niet oordelen in twijfelachtige zaken (Romeinen 14:13)
- Laten we elkaar geen aanstoot of ergernis geven (Romeinen 14:13)
3 manieren om te leven
- Leef vreedzaam (Romeinen 12:18; 2 Corinthiërs 13:11)
- Leef vrij van angsten en overmatige zorgen (1 Corinthiërs 7:28-35)
- Leef niet langer in de lusten van de zonde (1 Petrus 4:2)
4 geboden om ‘lief te hebben’
- Hebt uw vijanden lief (Mattheüs 5:44; Lucas 6:27,35)
- Hebt uw christenbroeders lief (Johannes 13:34;
- Hebt uw christenbroeders lief (Johannes 13:34; Johannes 15:12,17; Galaten 5:14; 1 Petrus 2:17; 1 Johannes 3:23; 2 Johannes 1:5)
- Hebt de broederschap lief (1 Petrus 2:17)
- Hebt uw broeder lief (1 Johannes 4:21)
2 dingen om niet lief te hebben
- De wereld (1 Johannes 2:15)
- De dingen van de wereld (1 Johannes 2:15)
3 manieren om lief te hebben
- Vurig (1 Petrus 2:22)
- Met een rein hart (1 Petrus 2:22)
- Als broeders (1 Petrus 3:8)
1 Persoon om tot te bidden
- Bid tot de Vader (Mattheüs 6:6; Mattheüs 6:9; Johannes 16:23-26)
3 dingen om voor te bidden
- Je vervolgers (Mattheüs 5:44; Lucas 6:28)
- Voor arbeiders (Mattheüs 9:38; Lucas 10:2)
- Voor elkaar (Jacobus 5:16)
2 manieren waarop je niet moet bidden
- Gebruik geen ijdel verhaal van woorden zoals de heidenen (Mattheüs 6:7)
- Bidt niet zoals de geveinsden (Mattheüs 6:5)
3 manieren om te bidden
- Bid op deze wijze (Mattheüs 6:9-13)
- Vraag, zoek, klop (Mattheüs 7:7-11)
- Bid in de Geest (Judas 1:20)
4 dingen om te beproeven
- Beproeft uzelven (2 Corinthiërs 13:5)
- Beproeft wat de Heere welbehagelijk is (Efeziërs 5:10)
- Beproeft alle dingen (1 Thessalonicenzen 5:21)
- Beproeft beschuldigingen tegen ouderlingen (1 Timotheüs 5:19)
2 geboden om je te verheugen
- Verblijdt u (Mattheüs 5:12; Romeinen 15:10)
- Verblijdt u ten allen tijd (1 Thessalonicenzen 5:16)
8 keer ‘Doe weg’
- Doe alle boze mensen weg uit de gemeente (1 Corinthiërs 5:13)
- Doe leugens weg (Efeziërs 4:25)
- Doe alle bitterheid weg (Efeziërs 4:31)
- Doe toornigheid weg (Efeziërs 4:31)
- Doe gramschap weg (Efeziërs 4:31)
- Doe al geroep weg (Efeziërs 4:31)
- Doe lastering weg (Efeziërs 4:31)
- Doe alle boosheid weg (Efeziërs 4:31)
6 keer ‘Leg af’
- Leg af de oude mens (Efeziërs 4:22; Kolossenzen 3:9)
- Leg af gramschap (Kolossenzen 3:8)
- Leg af toorn (Kolossenzen 3:8)
- Leg af kwaadheid (Kolossenzen 3:8)
- Leg af godslastering (Kolossenzen 3:8)
- Leg af vuil spreken (Kolossenzen 3:8)
12 keer ‘Doe aan’
- Doe Jezus Christus aan (Romeinen 13:14)
- Doe aan de wapenen des lichts (Romeinen 13:12)
- Doe aan de nieuwe mens (Efeziërs 4:24; Kolossenzen 3:10)
- Doe de gehele wapenrusting Gods aan (Efeziërs 6:11,13)
- Doe aan de barmhartigheid (Kolossenzen 3:12)
- Doe aan goedertierenheid (Kolossenzen 3:12)
- Doe aan ootmoedigheid (Kolossenzen 3:12)
- Doe aan zachtmoedigheid (Kolossenzen 3:12)
- Doe aan lankmoedigheid (Kolossenzen 3:13)
- Doe aan de liefde (Kolossenzen 3:14)
- Doe aan het borstwapen des geloofs en der liefde (1 Thessalonicenzen 5:8)
- Doe aan de hoop der zaligheid (1 Thessalonicenzen 5:8)
1 groep om niet te vermanen
- Ouderen (1 Timotheüs 5:1)
3 dingen om te vermanen
- Die zondigen (1 Timotheüs 5:20)
- Rebellen (Titus 1:13)
- Werken der duisternis (Efeziërs 5:11)
2 manieren om te vermanen
- Met allen ernst (Titus 2:15)
- Met alle lankmoedigheid (2 Timotheüs 4:2)
4 dingen om je in te verheugen
- Hoop (Romeinen 12:12)
- Zegeningen van anderen (Romeinen 12:15)
- De Heere (Filipenzen 3:1; Filipenzen 4:4)
- Lijden voor Christus (1 Petrus 4:13)
5 dingen om te herinneren
- Waaruit je gered bent (Efeziërs 2:11-12)
- Zij die lijden (Hebreeën 13:3)
- Zij die je leiden (Hebreeën 13:7)
- Waarheid (Judas 17-18; Openbaring 3:3)
- Afval en bekering (Openbaring 2:5)
4 dingen om naar te zoeken
- Gods koninkrijk eerst (Mattheüs 6:33; Lucas 12:31)
- God, in gebed (Mattheüs 7:7)
- Stichting van de gemeente (1 Corinthiërs 14:12)
- Dingen die boven zijn (Kolossenzen 3:1)
1 gebod om vast te staan
- Sta vast en houdt de christelijke inzettingen (2 Thessalonicenzen 2:15)
3 dingen om vast mee te staan
- Lenden omgord met de waarheid
- Borstwapen der gerechtigheid
- Voeten geschoeid met de bereidheid van het Evangelie des vredes (Efeziërs 6:14-15)
5 dingen om in te staan
- Geloof (1 Corinthiërs 16:13)
- Vrijheid (Galaten 5:1)
- Één geest (Filipenzen 1:27)
- Één gemoed (Filipenzen 1:27)
- De Heere (Filipenzen 4:1)
8 dingen om aan te denken
- Dingen over je ware zelf (Romeinen 12:3; 1 Corinthiërs 3:18)
- Waarachtige dingen
- Eerlijke dingen
- Rechtvaardige dingen
- Reine dingen
- Liefelijke dingen
- Dingen van goede roeping
- Dingen van deugd (Filipenzen 4:8)
1 manier om te denken
- Denk nuchter (Romeinen 12:3)
5 geboden ‘je te onderwerpen’
- Weest elkander onderdanig (Efeziërs 5:21)
- Onderwerp je aan God (Jacobus 4:7)
- Onderwerp je aan iedere menselijke ordening (1 Petrus 2:13-14; Romeinen 13:1-8)
- Jongeren moeten zich aan de ouderen onderwerpen (1 Petrus 5:5)
- Vrouwen weest uw mannen onderdanig (Efeziërs 5:22; Kolossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1-6)
Twaalf keer ‘Zijt & Neem’
- Zijt niet bezorgd over de noodzakelijke dingen van het leven (Mattheüs 6:25,31; Lucas 12:22-30)
- Zijt dan niet bezorgd over morgen (Mattheüs 6:34)
- Zijt niet bezorgd over u verdediging (Mattheüs 10:19; Marcus 13:9-11; Lucas 12:11-12; Lucas 21:14)
- Neem mijn juk op u (Mattheüs 11:29)
- Maak gebruik van vrijheid (1 Corinthiërs 7:21)
- Neem het avondmaal in herinnering aan Christus (1 Corinthiërs 11:24-26)
- Neem het schild des geloofs (Efeziërs 6:16)
- Neem de helm der zaligheid (Efeziërs 6:17)
- Neem het zwaard des Geestes (Efeziërs 6:17)
- Neem gewilliglijk het opzicht over de kudde (1 Petrus 5:2)
- Neem overzicht over de kudde Gods zonder gedachte aan persoonlijk gewin (1 Petrus 5:2)
- Neem de laatste plaats (Lucas 14:8)
18 keer ‘Ziet erop toe & Hebt acht’
- Hebt acht dat gij u aalmoes niet doet voor de mensen (Mattheüs 6:1)
- Ziet toe dat gij niet een van deze kleinen veracht (Mattheüs 18:10)
- Ziet toe, dat u niemand verleide (Mattheüs 24:4; Marcus 13:5; Lucas 21:8)
- Ziet erop toe, wat gij hoort (Marcus 4:24)
- Ziet dan, hoe gij hoort (Lucas 8:18)
- Ziet erop toe in het licht te wandelen (Lucas 11:35)
- Zie erop toe te vermanen en te vergeven (Lucas 17:3)
- Zie erop toe niet dronken te worden (Lucas 21:34)
- Zie erop toe niet te brassen (Lucas 21:34)
- Zie erop toe niet door zorgen overmand te worden (Lucas 21:34)
- Zie toe op jezelf (Mattheüs13:9; Lucas 17:3; Lucas 21:34; Handelingen 20:28)
- Ziet op de kudde Gods (Handelingen 20:28)
- Zie erop toe niet je vrijheid te misbruiken (1 Corinthiërs 8:9)
- Zie erop toe dat je niet valt (1 Corinthiërs 10:12; Romeinen 11:21)
- Zie toe op je bediening (Kolossenzen 4:17)
- Zie erop toe dat je elkaar niet vernietigt (Galaten 5:15)
- Heb acht op uzelven en de leer (1 Timotheüs 4:16)
- Zie erop toe niet af te wijken (Hebreeën 3:12)
2 manieren waarop je niet moet wandelen
- Als zondaars (Efeziërs 4:17)
- Als onwijzen (Efeziërs 5:15)
4 keer ‘gij zult’
- Gij zult God alleen aanbidden (Mattheüs 4:10; Lucas 4:8)
- Gij zult God alleen dienen (Mattheüs 4:10; Lucas 4:8)
- Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven (Mattheüs 5:43; Mattheüs 19:19; Mattheüs 22:39; Marcus 12:31; Lucas 10:27; Romeinen 13:9; Galaten 5:14)
- Gij zult de Heere uw God liefhebben met geheel uw hart (Mattheüs 22:37; Marcus 12:30; Lucas 10:27)
7 dingen om in te wandelen
- De Geest (Galaten 5:16)
- Liefde (Efeziërs 5:2)
- Het licht (Efeziërs 5:8-9; 1 Johannes 1:7)
- Waakzaamheid (Efeziërs 6:18)
- Christus (Kolossenzen 2:6-7; 2 Corinthiërs 5:17)
- Wijsheid (Kolossenzen 4:5)
- Eerlijkheid (1 Thessalonicenzen 4:12)
8 keer ‘Gij zult niet’
- Gij zult de Heere niet verzoeken (Mattheüs 4:7; Lucas 4:12)
- Gij zult niet doden (Mattheüs 5:21; Mattheüs 19:18; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
- Gij zult geen overspel plegen (Mattheüs 5:27-28; Mattheüs 19:18; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
- Gij zult niet bidden om door de mensen te worden gezien (Mattheüs 6:5)
- Gij zult niet stelen (Mattheüs 19:18; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
- Gij zult geen valse getuigenis geven (Mattheüs 19:18; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
- Gij zult niet begeren (Romeinen 13:9)
- Gij zult een dorsenden os niet muilbanden (1 Corinthiërs 9:9; 1 Timotheüs 5:18)
200 verschillende geboden
- Hebt een afkeer van het boze (Romeinen 12:9)
- Een opziener moet zijn: (zie karakteristieken in 1 Timotheüs 3:2-7; Titus 1:6-9)
- Blijf in Christus (Johannes 15:4)
- Blijf bij wie waardig is (Mattheüs 10:11-13; Marcus 6:10; Lucas 9:4; Lucas 10:5-8)
- Ontvreemdt niemand het zijne met bedrog (Lucas 3:14)
- Ontvreemdt niemand het zijne met bedrog (2 Petrus 1:5-7)
- Geef je eigen nutteloosheid toe (Lucas 17:10)
- Vermaant elkander (Kolossenzen 3:16)
- Vermaant de ongeregelden (2 Thessalonicenzen 3:15)
- Weest welgezind jegens uw wederpartij (Mattheüs 5:25)
- Staat geen vrijheid toe die je tot zonde verleidt (1 Corinthiërs 10:25-30)
- Sta geen lust naar het boze toe in je lichaam (1 Thessalonicenzen 4:5)
- Sta geen zegening en vervloeking toe uit dezelfde mond (Jacobus 3:10)
- Zalf je hoofd en was je aangezicht als je vast (Mattheüs 6:17)
- Wapen jezelf met een gemoed te lijden voor Christus (1 Petrus 4:1)
- Wreek jezelf niet (Romeinen 12:19)
- Ontwaak van de dood tot het licht (Efeziërs 5:14)
- Draagt elkanders lasten (Galaten 6:2)
- Gedraagt u als mannen (1 Corinthiërs 16:13)
- Wens een valse leraar geen geluk toe (2 Johannes 1:10-11)
- Lever bewijs van je bekering (Mattheüs 3:8; Lucas 3:8)
- Breng je kinderen groot in de Heer (Efeziërs 6:4)
- Bouw je geloof op (Judas 1:20)
- Nodig de armen uit op je feest (Lucas 14:13)
- Kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam (Efeziërs 6:1; Kolossenzen 3:20)
- Reinigt de melaatsen (Mattheüs 10:8)
- Reinigt de handen, gij zondaars (Jacobus 4:8)
- Hangt het goede aan (Romeinen 12:9)
- Verzamel alleen wat je toekomt (Lucas 3:13)
- Gaat uit het midden van hen (2 Corinthiërs 6:17)
- Beveel en leer deze dingen (1 Timotheüs 4:11; 1 Timotheüs 6:2)
- Betrouw de waarheid getrouwe mensen aan (2 Timotheüs 2:2)
- Belijdt elkander de misdaden (Jacobus 5:16)
- Reken het als vreugde wanneer je verzocht wordt (Jacobus 1:2)
- Snijd de leden af die aanstoot geven (Mattheüs 5:29-30; Mattheüs 18:8-9)
- Wat diakenen moeten zijn: (zie 1 Timotheüs 3:8-12)
- Gij zult geen valse getuigenis geven (Marcus 10:19)
- Ijvert om de geestelijke gaven (1 Corinthiërs 14:1)
- Zijt zeer begerig naar de melk van het Woord (1 Petrus 2:2)
- Veracht de profetieën niet (1 Thessalonicenzen 5:20)
- Verderf niemand met onbelangrijke dingen (Romeinen 14:15; 1 Corinthiërs 8:13)
- Nadert tot God (Jacobus 4:8)
- Eet je eigen brood in stilte (2 Thessalonicenzen 3:12)
- Strijdt voor het geloof (Judas1:3)
- Sticht jezelf met zingen (Efeziërs 5:19)
- Sticht elkaar (1 Thessalonicenzen 5:11)
- Gaat in door de enge (smalle) poort (Mattheüs 7:13; Lucas 13:24)
- Onderzoek jezelf in je geloof (2 Corinthiërs 13:5)
- Oefen in godzaligheid (1 Timotheüs 4:7-8)
- Vermaan den dienstknechten dat zij onderdanig zijn (Titus 2:9-10)
- Vermaant elkander ten allen dage (Hebreeën 3:13)
- Vreest niet (Lucas 12:32)!
- Strijd den goeden strijd des geloofs (1 Timotheüs 6:12)
- Jaagt den vrede na en de heiligmaking (Hebreeën 12:14)
- Verdragende elkander (Kolossenzen 3:13)
- Verhindert de kinderen niet (Mattheüs 19:14; Marcus 10:14; Lucas 18:16)
- Verhindert het spreken in vreemde talen niet (1 Corinthiërs 14:39)
- Vergeet de mededeelzaamheid niet (Hebreeën 13:16)
- Vergeef 490 keer (Mattheüs 18:22)
- Vergeef (Mattheüs 11:25-26; Lucas 6:37; Efeziërs 4:32; Kolossenzen 3:13)
- Erger je niet over dienstbaarheid (2 Corinthiërs 7:21)
- Omgord de lenden uws verstands (1 Petrus 1:13)
- Geeft den toorn plaats (Romeinen 12:19)
- Geef uw vijand water te drinken (Romeinen 12:20)
- Geef geen oorzaak van lastering aan de wederpartij (1 Timotheüs 5:14)
- Eer God in lichaam en geest (2 Corinthiërs 6:20; verg. Romeinen 12:1-2)
- Bedroeft den Heiligen Geest niet (Efeziërs 4:30)
- Wast op in de genade en kennis (2 Petrus 3:18)
- Zucht niet tegen elkander (Jacobus 5:9)
- Verhardt uw harten niet (Hebreeën 3:8-15)
- Haat de rok die van het vlees bevlekt is (Judas 1:23)
- Heb geen aanzien der persoon (partijdigheid, vooroordeel) (1 Timotheüs 5:21)
- Heb dezelfde liefde (Filipenzen 2:2)
- Heb geen gemeenschap met de werken der duisternis (Efeziërs 5:11)
- Geneest de kranken (Mattheüs 10:8; Lucas 10:9)
- Help de waarheid te verspreiden (3 Johannes 1:8)
- Vernedert u (Jacobus 4:10; 1 Petrus 5:6)
- Mannen, hebt uw eigen vrouwen lief (Efeziërs 5:25,28; Kolossenzen 3:19; 1 Petrus 3:7)
- Mannen, weest niet bitter tegen uw vrouwen (Kolossenzen 3:19)
- Onderwijs rebellen in zachtmoedigheid (2 Timotheüs 2:25)
- Behandel anderen zoals in 1 Timotheüs 5:1-2.
- Oordeel niet (Mattheüs 7:1; Lucas 6:37)
- Heb geloof tegenover God voor dingen die niet zijn veroordeelt in de schrift (Romeinen 14:22-23)
- Weet je lichaam te beheersen (1 Thessalonicenzen 4:4)
- Vergadert geen schatten op aarde (Mattheüs 6:19)
- Vergadert schatten in de hemel (Mattheüs 6:20; Lucas 12:33-34)
- Grijp naar het eeuwige leven (1 Timotheüs 6:12)
- Verlaat je ouders en hang je vrouw aan (Mattheüs 19:5; Marcus 10:7; Efeziërs 5:31)
- Leen, zonder iets weder te verwachten (Lucas 6:35)
- Liegt niet (Kolossenzen 3:9)
- Richt weder op de trage handen (Hebreeën 12:12)
- Een iegelijk zie niet alleen op het zijne (Filipenzen 2:4)
- Zie er ijverig op toe niet te verachteren van de genade (Hebreeën 12:15)
- Zie er ijverig op toe dat geen wortel van bitterheid je verontreinigt (Hebreeën 12:15)
- Zie er op toe dat niemand zij een hoereerder (Hebreeën 12:16-17)
- Zie erop toe dat je niet het volle loon verliest (2 Johannes 1:8)
- Verwacht de barmhartigheid ten eeuwigen levens (Judas 1:21)
- Heb geen lust tot het kwaad (1 Corinthiërs 10:6)
- Maakt den boom goed of kwaad (Mattheüs 12:33)
- Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden (Romeinen 13:14)
- Maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij (2 Timotheüs 4:5)
- Maakt rechte paden (Hebreeën 12:13)
- Neemt acht op hen die tweedracht en ergernissen aanrichten (Romeinen 16:17; Filipenzen 3:17)
- Neemt acht op hen die zich ongeregeld gedragen (2 Thessalonicenzen 3:14)
- Verwondert u niet als de wereld u haat (1 Johannes 3:13)
- Meesters, weest goed voor uw dienstknechten (Efeziërs 6:9; Kolossenzen 4:1)
- Mediteer over dingen zoals 1 Timotheüs 4:15.
- Tracht niet naar hoge dingen (Romeinen 12:16)
- Dient als goede rentmeesters (1 Petrus 4:10)
- Doodt de leden van het lichaam die aanstoot geven (Kolossenzen 3:5; Romeinen 8:12-13)
- Weest niet wankelmoedig (Lucas 12:29)
- Niemand bedriege zijn broeder (1 Thessalonicenzen 4:6)
- Verzuim de geestelijke gaven niet (1 Timotheüs 4:14; verg. 2 Timotheüs 1:6)
- Gehoorzaam je leiders (Hebreeën 13:17)
- Keer de andere wang toe (Mattheüs 5:39; Lucas 6:29)
- Leg niemand haastelijk de handen op (1 Timotheüs 5:22)
- Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben (Romeinen 13:8)
- Overwint het kwade door het goede (Romeinen 12:21)
- Breng de tijd door in vreze (1 Petrus 1:17)
- Betaal uw belastingen (Romeinen 13:6)
- Betaal wat je schuldig bent (Romeinen 13:7)
- Looft de Heere (Romeinen 15:11)
- Predikt (Mattheüs 10:7,27; Marcus 16:15; 2 Timotheüs 4:2)
- Stelt uw lichamen tot God (Romeinen 12:1)
- Doet dingen op een eerlijke manier (Romeinen 12:17)
- Verwekt uw kinderen niet tot toorn (Efeziërs 6:4; Kolossenzen 3:21)
- Zuivert dan den ouden zuurdesem uit (kwade invloed) (1 Corinthiërs 5:7)
- Zuiver uw harten van twijfels (Jacobus 4:8)
- Breng anderen de belangrijke dingen ter gedachtenis (2 Timotheüs 2:14)
- Blust den geest niet uit (1 Thessalonicenzen 5:19)
- Wekt de doden op (Mattheüs 10:8)
- Neemt aan (accepteer) zwakke broeders (Romeinen 14:1)
- Neemt elkander aan (Romeinen 15:7)
- Ontvangt het Woord met zachtmoedigheid (Jacobus 1:21)
- Houd jezelf voor zijnde dood der zonde (Romeinen 6:11)
- Houd jezelf voor zijnde levend in God (Romeinen 6:11)
- Herken de waarheid (1 Corinthiërs 10:15)
- Koop de tijd uit (Efeziërs 5:16; Kolossenzen 4:5)
- Verwerp een ketterse mens (Titus 3:10)
- Weiger jonge weduwen met kerkfondsen te steunen (1 Timotheüs 5:11)
- Herinner mensen aan de zeven dingen van: Titus 3:1-2.
- Vergeldt geen kwaad met kwaad (1 Petrus 3:9; Romeinen 12:17)
- Bekeert u (Mattheüs 3:2; Mattheüs 4:17; Marcus 1:15; Handelingen 2:38; Handelingen 3:19; Openbaring 2:16; Openbaring 3:19)
- Weersta de boze niet (Mattheüs 5:38-39)
- Weersta den duivel (Jacobus 4:7; 1 Petrus 5:9)
- Wijs de afvallige terecht met zachtmoedigheid ziende op uzelven (Galaten 6:1)
- Loopt om de prijs te verkrijgen (1 Corinthiërs 9:24)
- Groet niemand onderweg (Lucas 10:4)
- Groet je leiders (Hebreeën 13:24)
- Heiligt God in uw harten (1 Petrus 3:15)
- Behoud anderen door vreze (Judas 1:23)
- Onderzoek de schriften (Johannes 5:39)
- Vraagt niet naar eten en drinken (Lucas 12:29)
- Verkoop om de behoeftigen te helpen (Lucas 12:33)
- Dien de Heer (Romeinen 12:1)
- Dienstknechten, gehoorzaam uw heren (Efeziërs 6:5-8; Kolossenzen 3:22-25; 1 Petrus 2:18)
- Zet de minst geachten tot rechter (1 Corinthiërs 6:4)
- Bedenkt de dingen die boven zijn (Kolossenzen 3:2)
- Schudt het stof uwer voeten af (Mattheüs 10:14; Marcus 6:11; Lucas 9:5; Lucas 10:10-11)
- Toon barmhartigheid tot andere predikanten (Lucas 9:49-50)
- Betoon uzelven als een voorbeeld (Titus 2:7)
- Toon vier dingen volgens: Titus 2:7-8.
- Zondigt niet (1 Corinthiërs 15:34)
- Zingt met aangenaamheid in uw hart (Kolossenzen 3:16)
- Mijd ijdel gepraat (2 Timotheüs 2:16)
- Spreek en doe dingen met het oog op de dag des oordeels (Jacobus 2:12)
- Spreek de waarheid (Efeziërs 4:25)
- Spreek gezonde leer (Titus 2:1)
- Spreek geen kwaad van je broeders (Jacobus 4:11)
- Versterk uw harten (Jacobus 5:8)
- Versterk je slappe knieën (Hebreeën 12:12)
- Strijd gezamenlijk voor het geloof des evangelies (FILÉMON 1:27)
- Benaarstig u om stil te zijn (1 Thessalonicenzen 4:11)
- Benaarstigt u (wees ijverig) om uzelven beproeft voor te stellen (2 Timotheüs 2:15)
- Ondersteunt de zwakken (1 Thessalonicenzen 5:14)
- Ziet toe dat niemand kwaad voor kwaad vergelde (1 Thessalonicenzen 5:15)
- Zweert niet (Jacobus 5:12; Mattheüs 5:33-36)
- Verwacht elkander (1 Corinthiërs 11:33)
- Wacht op kracht (Lucas 24:49; Handelingen 1:4-8)
- Leert elkander (Kolossenzen 3:16)
- Leer geen andere doctrine dan die der waarheid (1 Timotheüs 1:3)
- Vertel eerst je broeder alleen van zijn fout (Mattheüs 18:15-17)
- Vertrouw op God voor al je behoeften terwijl je werkt (Mattheüs 10:9; Lucas 9:3; Lucas 10:4)
- Versta de wil van God (Efeziërs 5:17)
- Gebruik je vrijheid niet als gelegenheid te zondigen (Galaten 5:13; 1 Petrus 1:16)
- Zijt herbergzaam zonder murmureren (1 Petrus 4:9)
- Vermaant de ongeregelden (1 Thessalonicenzen 5:14)
- Waakt en bidt (Mattheüs 24:42; Mattheüs 25:13; Marcus 13:33,35; Marcus 14:38; Lucas 21:36; Efeziërs 6:18; Kolossenzen 4:2)
- Wees wakker in alles (2 Timotheüs 4:5; 1 Corinthiërs 16:13)
- Weent met de anderen (Romeinen 12:15)
- Onttrek je aan ongeregelde broeders (2 Thessalonicenzen 3:6,14)
- Onttrek je aan boosaardige mensen (1 Timotheüs 6:3-6)
- Vrouwen van diakenen moeten zijn: (zie 1 Timotheüs 3:11)
- Vrouwen, weest uw mannen onderdanig (Efeziërs 5:22; Kolossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1-6)
- Werk met je eigen handen (1 Thessalonicenzen 4:11)
- Werk of eet niet (2 Thessalonicenzen 3:10-11)
- Werk je eigen verlossing uit (Filemon 2:12)
- Stelt uwe leden niet der zonde (Romeinen 6:13)
- Stelt uzelven Gode (Romeinen 6:13)
- Stelt uw leden tot gerechtigheid (Romeinen 6:13)
2 eeuwige rechten van de verlosten (Openbaring 2:7, 22:14)
- Recht op de boom des levens
- Recht om het Nieuwe Jeruzalem binnen te gaan
Geraadpleegde bronnen:http://www.petersteffens.nl/artikelen/onderwijs/1050-geboden-in-het-nieuwe-testament.html