Jezus leren kennen

 

 

 

7 dingen om zich van te onthouden

  1. Afgoden (Handelingen 15:20)
  2. Overspel (Handelingen 15:20,29; 1 Thessalonicenzen 4:2-3)
  3. Verstikt vlees (Handelingen 15:20)
  4. Het eten van bloed (Handelingen 15:20)
  5. Aan afgoden geofferd vlees (Handelingen 15:29)
  6. Alle vormen van kwaad (1 Thessalonicenzen 5:22)
  7. Vleselijke lusten (1 Petrus 2:11)

7 dingen om te vermijden

  1. Onruststokers (Romeinen 16:17)
  2. Ongoddelijk en ijdel geklets (1 Timotheüs 6:20)
  3. Leugenachtige wetenschap (1 Timotheüs 6:20)
  4. Vragen die twist voortbrengen (2 Timotheüs 2:23)
  5. Dwaze vragen (Titus 3:9)
  6. Geslachtsrekeningen (Titus 3:9)
  7. Strijd over de wet (Titus 3:9)

3 dingen die gevraagd moeten worden

  1. Bidt en u zal gegeven worden (Mattheüs 7:7)
  2. Vraag geen goederen terug (Lucas 6:30)
  3. Vraag leven voor afvalligen (1 Johannes 5:16)

2 dingen om tot te ontwaken

  1. Waak op tot gerechtigheid (1 Corinthiërs 15:34)
  2. Ontwaakt tot het leven (Efeziërs 5:14)

74 geboden om te doen of te zijn

  1. Verheugt u (Mattheüs 5:12)
  2. Verzoent u eerst met u broeder (Mattheüs 5:24)
  3. Weest volmaakt (Mattheüs 5:48; 2 Corinthiërs 13:11)
  4. Zijt voorzichtig gelijk de slangen (Mattheüs 10:16)
  5. Zijt oprecht gelijk de duiven (Mattheüs 10:16)
  6. Weest bereid voor de komst van Christus (Mattheüs 24:44; Lucas 12:40)
  7. Laat u vergenoegen met uw bezoldigingen (Lucas 3:14)
  8. Weest barmhartig zoals God (Lucas 6:36)
  9. Weest als getrouwe dienstknechten (Lucas 12:36)
  10. Weest dankbaar (Kolossenzen 3:15)
  11. Zijt vreedzaam onder elkaar (1 Thessalonicenzen 5:13)
  12. Zijt lankmoedig jegens allen (1 Thessalonicenzen 5:14; 2 Timotheüs 2:24)
  13. Heb geen gemeenschap met de zonde (1 Timotheüs 5:22)
  14. Weest nuchter en hoopt (1 Petrus 1:13)
  15. Zijt nuchter en bid (1 Petrus 4:7)
  16. Zijt nuchter, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid (oudere mannen, Titus 2:2)
  17. Weest voorzichtig, hebt uw mannen en kinderen lief (jonge vrouwen, Titus 2:4)
  18. Zijt matig (jonge mannen, Titus 2:6)
  19. Zijt in gedrag gelijk de heiligen betaamt (oudere vrouwen, Titus 2:3)
  20. Zijt matig, kuis, bewaart het huis, weest goed, onderdanig (jonge vrouwen, Titus 2:5)
  21. Zijt bereid tot verantwoording van de hoop die in u is (1 Petrus 3:15)
  22. Hebt goeden moed (Johannes 16:33)
  23. Wordt gedoopt (Handelingen 2:38)
  24. Bekeert u (Handelingen 3:19)
  25. Wordt veranderd (Romeinen 12:2)
  26. Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde (Romeinen 12:10; Efeziërs 4:32)
  27. Zijt vurig van geest (Romeinen 12:11)
  28. Zijt geduldig in de verdrukking (Romeinen 12:12)
  29. Tracht naar herbergzaamheid (Romeinen 12:13)
  30. Weest bevreesd, indien wetteloos (Romeinen 13:4)
  31. Weest geen afgodendienaar (1 Corinthiërs 10:7)
  32. Weest Paulus navolgers, zoals hij Christus navolgde (1 Corinthiërs 11:1; Filipenzen 3:17)
  33. Zijt navolgers God (Efeziërs 5:1)
  34. Zijt volgers van de gelovigen en lankmoedigen (Hebreeën 6:12)
  35. Weest geen kinderen in het verstand (1 Corinthiërs 14:20)
  36. Wordt in het verstand volwassen (1 Corinthiërs 14:20)
  37. Zijt standvastig (1 Corinthiërs 15:58)
  38. Zijt onbewegelijk (1 Corinthiërs 15:58)
  39. Weest altijd overvloedig in het werk van de Heer (1 Corinthiërs 15:58)
  40. Zijt sterk in de Heer (1 Corinthiërs 16:13; Efeziërs 6:10; 2 Timotheüs 2:1)
  41. Zijt getroost (2 Corinthiërs 13:11)
  42. Weest eensgezind (Romeinen 12:16; 2 Corinthiërs 13:11; Filipenzen 2:2; 1 Petrus 3:8)
  43. Scheidt u af van het onreine (2 Corinthiërs 6:17)
  44. Weest vernieuwd in de geest (Efeziërs 4:23)
  45. Wordt toornig en zondig niet (Efeziërs 4:26)
  46. Zijt goedertieren jegens elkander (Efeziërs 4:32)
  47. Wordt vervuld met den Geest (Efeziërs 5:18)
  48. Zijt gelijkgestemd (Filipenzen 2:2)
  49. Zijt van een gemoed (Filipenzen 2:2)
  50. Weest in geen ding bezorgd (Filipenzen 4:6)
  51. Zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid (1 Timotheüs 4:12)
  52. Weest deelnemer aan het lijden van Christus (2 Timotheüs 1:8; verg. 1 Petrus 4:1)
  53. Weest vriendelijk jegens allen (2 Timotheüs 2:24)
  54. Weest bekwaam om te leren (2 Timotheüs 2:24)
  55. Houd aan, tijdelijk en ontijdelijk (2 Timotheüs 4:2)
  56. Sta in voor goede werken (Titus 3:8,14; verg. Mattheüs 5:16)
  57. Zijt vergenoegd met wat u hebt (Hebreeën 13:5)
  58. Zijt daders des Woords (Jacobus 1:22)
  59. Gedraagt u als ellendigen en treurt (Jacobus 4:9)
  60. Zijt lankmoedig tot de terugkomst van Christus (Jacobus 5:7-8)
  61. Weest heilig in al uw wandel (gedrag) (1 Petrus 1:15-16)
  62. Zijt medelijdend (1 Petrus 3:8)
  63. Zijt vriendelijk (1 Petrus 3:8)
  64. Weest voorbeelden der kudde, niet als heerschappij voerende over Gods erfdeel (1 Petrus 5:3)
  65. Zijt elkander onderdanig (1 Petrus 5:5)
  66. Zijt met ootmoedigheid bekleed (1 Petrus 5:5)
  67. Weest nuchter (1 Petrus 5:8)
  68. Waakt (1 Petrus 5:8)
  69. Zijt gedachtig aan profetieën en geboden (2 Petrus 3:2)
  70. Benaarstigt u dat gij bevonden moogt worden in vrede (2 Petrus 3:14)
  71. Benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk zijt (2 Petrus 3:14)
  72. Zijt getrouw tot den dood (Openbaring 2:10)
  73. Zijt wakende en versterk het overige (Openbaring 3:2)
  74. Weest ijverig en bekeert u (Openbaring 3:19)

 30 geboden om niet te doen of te zijn (verboden)

  1. Weest niet gelijk de geveinsden wanneer gij bidt (Mattheüs 6:5)
  2. Weest niet gelijk de heidenen in gebed (Mattheüs 6:7)
  3. Weest niet gelijk de geveinsden wanneer gij vast (Mattheüs 6:16)
  4. Gij zult niet "Rabbi" genaamd worden (Mattheüs 23:8)
  5. Noch zult gij “meester” genoemd worden (Mattheüs 23:10)
  6. Vreest niet de mensen (Lucas 12:4)
  7. Weest niet wankelmoedig (Lucas 12:29)
  8. Zijt niet vele meesters (Jacobus 3:1)
  9. Vreest niet uit vreze voor hen (1 Petrus 3:14)
  10. Wordt niet ontroerd (1 Petrus 3:14)
  11. Weest niet onverschillig met de tijd van God (2 Petrus 3:8; verg. JESAJA 57:16)
  12. Dwaalt niet: 10 groepen die het Koninkrijk niet beërven (1 Corinthiërs 6:9-10)
  13. Wordt dezer wereld niet gelijkvormig (Romeinen 12:2)
  14. Zijt niet traag in het benaarstigen (Romeinen 12:11)
  15. Zijt niet wijs bij uzelven (Romeinen 12:16)
  16. Wordt door het kwade niet overwonnen (Romeinen 12:21)
  17. Wordt geen dienstknechten der mensen (1 Corinthiërs 7:23)
  18. Weest geen kinderen in het verstand (1 Corinthiërs 14:20)
  19. Weest niet misleid door kwaad gezelschap (1 Corinthiërs 15:33)
  20. Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen (2 Corinthiërs 6:14-15)
  21. Wordt niet wederom bevangen met het houden van de wet (Galaten 5:1. Zie: 'vijfentachtig Oude en Nieuwe verbondscontrasten')
  22. Dwaalt niet: wat de mens zaait, zal hij oogsten (Galaten 6:7-8)
  23. Zijt geen medegenoten van zondaars (Efeziërs 5:7)
  24. Zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij (Efeziërs 5:17)
  25. Wordt niet dronken van wijn (Efeziërs 5:18)
  26. Vertraagt er niet in goed te doen (2 Thessalonicenzen 3:13)
  27. Schaam u niet voor het getuigenis onzes Heeren (2 Timotheüs 1:8)
  28. Wordt niet traag (Hebreeën 6:12)
  29. Vergeet de herbergzaamheid niet (Hebreeën 13:2)
  30. Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen (Hebreeën 13:9)

14 maal wacht u voor en soortgelijke geboden

  1. Wacht u voor valse profeten (Mattheüs 7:15)
  2. Wacht u voor de mensen (Mattheüs 10:17)
  3. Wacht u voor den zuurdesem (leer) der farizeeën (Mattheüs 16:6-12)
  4. Wacht u voor de zuurdesem (leer) van Heródes (Marcus 8:15)
  5. Wacht uzelven voor geveinsdheid (Lucas 12:1)
  6. Wacht u voor gierigheid (Lucas 12:15)
  7. Wacht u voor de schriftgeleerden (MARK 12:38; Lucas 20:46)
  8. Let erop dat u niet God veracht en omkomt (Handelingen 13:40-41)
  9. Ziet op de honden (valse leraren) (Filipenzen 3:2; Jesaja 56:10)
  10. Ziet toe op de kwade arbeiders (Filipenzen 3:2)
  11. Ziet toe op de versnijding (Joden, Filipenzen 3:2)
  12. Ziet toe niet vervoerd te worden door filosofie (Kolossenzen 2:8)
  13. Ziet toe niet vervoerd te worden door ijdele verleiding (Kolossenzen 2:8)
  14. Wacht u er voor dat u niet afvalt (2 Petrus 3:17)

4 dingen om (in) te geloven

  1. Het evangelie (Marcus 1:15)
  2. Gods bestaan (Hebreeën 11:6)
  3. Jezus Christus (1 Johannes 3:23)
  4. God beloont hen die naarstig zoeken (Hebreeën 11:6)

1 ding om niet te geloven

  1. Gelooft niet een iegelijken geest (1 Johannes 4:1)

2 categorieën om te zegenen

  1. Degenen die u vervloeken (Mattheüs 5:44; Lucas 6:28)
  2. Vervolgers (Romeinen 12:14)

3 dingen om te ver weg te werpen

  1. De balk uit uw oog (Mattheüs 7:5; Lucas 6:42)
  2. Duivels (Mattheüs 10:8)
  3. Al uw bekommernis op God (1 Petrus 5:7)

2 categorieën om te troosten

  1. Christenen onder elkaar (1 Thessalonicenzen 4:18; 1 Thessalonicenzen 5:11)
  2. De kleinmoedigen (1 Thessalonicenzen 5:14)

6 groepen om te eren

  1. Vaders (Mattheüs 19:19; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Efeziërs 6:2)
  2. Moeders (Mattheüs 19:19; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Efeziërs 6:2)
  3. De andere (Romeinen 12:10)
  4. Weduwen (1 Timotheüs 5:3)
  5. Alle mensen (1 Petrus 2:17)
  6. Koningen - regeerders (1 Petrus 2:17)

5 bevelen

  1. Onberispelijk te zijn (1 Timotheüs 5:7)
  2. De rijke niet hoogmoedig te zijn (1 Timotheüs 6:17)
  3. De rijke in God te vertrouwen (1 Timotheüs 6:17)
  4. De rijke weldadig te zijn (1 Timotheüs 6:18)
  5. De rijke het eeuwige leven te verkrijgen (1 Timotheüs 6 :19)

5 dingen om over na te denken

  1. De raven (Lucas 12:24)
  2. De leliën (Lucas 12:27-28)
  3. Waarheid (2 Timotheüs 2:7)
  4. Dat een mens vallen kan (Galaten 6:1)
  5. Christus (Hebreeën 3:1; Hebreeën 12:3)

3 dingen om voortdurend een plaats te geven

  1. Liefde (Johannes 15:9)
  2. Gebed (Romeinen 12:12; Kolossenzen 4:2)
  3. Waarheid (2 Timotheüs 3:14)

2 dingen om te begeren

  1. De beste gaven (1 Corinthiërs 12:31)
  2. Te profeteren (1 Corinthiërs 14:39); verg: dingen om niet te begeren (Exodus 20:17; Deuteronomium 5:21)

1 ding om niet te verwerpen

  1. Je vrijmoedigheid in God (Hebreeën 10:35)

2 dingen om te verdragen

  1. Verdrukkingen (2 Timotheüs 2:3)
  2. Lijden (2 Timotheüs 4:5)

1 categorie om te vrezen

  1. God (Mattheüs 10:28; Lucas 12:5; 1 Petrus 2:17; Openbaring 14:7)

3 categorieën om niet te vrezen

  1. Mensen (Mattheüs 10:28; Lucas 12:5)
  2. Vervolgers (Mattheüs 10:26)
  3. Geen gebrek aan voorzienigheid (Mattheüs 10:31; Marcus 6:8-9; Lucas 12:7)

5 dingen om te voeden

  1. Vijanden (Romeinen 12:20)
  2. Lammeren (Johannes 21:15)
  3. Schapen (Johannes 21:16-17)
  4. De kudde Gods (1 Petrus 5:2)
  5. De kerk (Handelingen 20:28)

4 dingen om van te ‘vlieden’

  1. Hoererij (1 Corinthiërs 6:18)
  2. Afgodendienst (1 Corinthiërs 10:14)
  3. Schadelijke begeerlijkheden (1 Timotheüs 6:9-11)
  4. De begeerlijkheden der jonkheid (2 Timotheüs 2:22)

10 maal ‘Doe’

  1. Doet wel degenen die u haten (Mattheüs 5:44; Lucas 6:27)
  2. Doet aan anderen wat gij van hen verwacht (Mattheüs 7:12; Lucas 6:31)
  3. Doet niemand overlast aan (Lucas 3:14)
  4. Doet goed (Lucas 6:35; Romeinen 13:3)
  5. Doet dit (God voorop stellen) en leef (Lucas 10:28)
  6. Doet het al ter ere Gods (1 Corinthiërs 10:31; Kolossenzen 3:17,23)
  7. Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken (Filipenzen 2:14)
  8. Doet hetgeen gij in mij gezien en gehoord hebt (Paulus, Filipenzen 4:9)
  9. Doet uw eigen dingen (1 Thessalonicenzen 4:11)
  10. Doe het werk van een evangelist (2 Timotheüs 4:5)

10 keer ‘Doe Niet’ en andere geboden

  1. Doe uw aalmoes niet voor de mensen (Mattheüs 6:1)
  2. Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten (Mattheüs 6:2)
  3. Doet niet de werken der farizeeën (Mattheüs 23:3-33)
  4. Laat ons niet liefhebben met den woorde alleen (1 Johannes 3:18)
  5. Begeef je niet tot fabelen (1 Timotheüs 1:4)
  6. Begeef je niet tot geslachtsrekeningen (1 Timotheüs 1:4)
  7. Dwaalt niet (Jacobus 1:16)
  8. Gij zult geen overspel doen (Jacobus 2:11)
  9. Gij zult niet doden (Jacobus 2:11)
  10. Wordt niet gelijkvormig aan begeerlijkheden van vroeger (1 Petrus 1:14)

10 dingen om te volgen

  1. Christus (Mattheüs 4:19; Mattheüs 8:22; Mattheüs 16:24; Marcus 8:34; Marcus 10:21; Lucas 9:23; Johannes 21:19)
  2. Liefde (1 Corinthiërs 14:1; 1 Timotheüs 6:11; 2 Timotheüs 2:22)
  3. Het goede (1 Thessalonicenzen 5:15; 3 Johannes 1:11)
  4. Gerechtigheid (1 Timotheüs 6:11; 2 Timotheüs 2:22)
  5. Godzaligheid (1 Timotheüs 6:11)
  6. Geloof (1 Timotheüs 6:11; 2 Timotheüs 2:22)
  7. Lijdzaamheid (1 Timotheüs 6:11)
  8. Zachtmoedigheid (1 Timotheüs 6:11)
  9. Vrede (2 Timotheüs 2:22; Hebreeën 12:14)
  10. Heiligheid (Hebreeën 12:14)

7 dingen over het geven

  1. Het is bevolen: geef (Lucas 6:38)
  2. Aan wie te geven:
    1. Die iets van u bidt (Mattheüs 5:42; Lucas 6:30)
    2. De behoeften der heiligen (Romeinen 12:13)
    3. God (Kolossenzen 3:17; Openbaring 14:7)
  3. Aan wie niet te geven:
    1. Geef niets wat heilig is aan rebellen (Mattheüs 7:6)
    2. Geef satan geen plaats (Efeziërs 4:27)
  4. Wat te geven:
    1. Heilige dingen (Mattheüs 7:6; Mattheüs 10:8)
    2. Geef dank (Efeziërs 5:20; Filipenzen 4:6; Kolossenzen 3:17; 1 Thessalonicenzen 5:18)
    3. Geef tijd voor lezen, vermaning, lering (1 Timotheüs 4:13)
    4. Geef jezelf geheel (1 Timotheüs 4:15)
    5. Geef eer aan God (Openbaring 14:7)
  5. Wat niet te geven:
    1. Geef geen aanstoot (1 Corinthiërs 10:32)
    2. Geef geen acht op fabelen en geboden der mensen (Titus 1:14)
  6. Hoe te geven:
    1. Vrijmoedig (Mattheüs 10:8; 2 Corinthiërs 9:6)
    2. Een goede maat (Lucas 6:38)
    3. Naardat men welvaren verkregen heeft (1 Corinthiërs 16:2)
    4. Vrijwillig (2 Corinthiërs 8:12)
    5. Met een doel (2 Corinthiërs 9:7)
    6. Blijmoedig (2 Corinthiërs 9:7)
  7. Beloofde zegeningen wanneer je geeft:
    1. Teruggave op basis van geven (Lucas 6:38; 2 Corinthiërs 9:6)
    2. Beloning (Mattheüs 10:42)
    3. Alle genade overvloedig hebbende (2 Corinthiërs 9:8)
    4. Alle genade overvloedig (2 Corinthiërs 9:8)
    5. Eeuwige gerechtigheid (2 Corinthiërs 9:9)
    6. Vermeerderde vruchten (2 Corinthiërs 9:10)
    7. Rijk worden in alles (2 Corinthiërs 9:11)

6 dingen om af te leggen

  1. Boosheid (Jacobus 1:21)
  2. Alle kwaadheid (1 Petrus 2:1)
  3. Alle bedrog (1 Petrus 2:1)
  4. Alle schijnheiligheid (1 Petrus 2:1)
  5. Alle nijdigheid (1 Petrus 2:1)
  6. Alle kwaadsprekerij (1 Petrus 2:1)

7 dingen om te houden

  1. Houdt de geboden (Mattheüs 19:17; Johannes 14:15)
  2. Vermengt u niet met de 6 soorten zogenaamde christenen uit 1 Corinthiërs 5:11
  3. Bewaar uzelven rein (1 Timotheüs 5:22)
  4. Houdt de geboden van het evangelie totdat Christus terugkomt (1 Timotheüs 6:14)
  5. Bewaar het goede pand dat je toebetrouwd is (2 Timotheüs 1:14)
  6. Bewaart uzelven van de afgoden (1 Johannes 5:21)
  7. Bewaart uzelven in Gods liefde (Judas 1:21)

5 keer ‘Gaat’

  1. Gaat twee mijlen (Mattheüs 5:41)
  2. Gaat en onderwijst (Mattheüs 28:19-20)
  3. Gaat en predikt (Marcus 16:15)
  4. Gaat niet van huis tot huis (Lucas 10:7)
  5. Gaat heen en doe gij desgelijks (Lucas 10:37)

7 keer ‘Hebt’

  1. Hebt geloof (Marcus 11:22; Romeinen 14:22-23)
  2. Hebt geen gemeenschap met de duisternis (Efeziërs 5:11)
  3. Hebt geen aanneming des persoons (1 Timotheüs 5:21; Jacobus 2:1-10)
  4. Hebt een eerlijke wandel (1 Petrus 2:12)
  5. Hebt barmhartigheid (1 Petrus 3:8; Judas 1:22)
  6. Hebt een goed geweten (1 Petrus 3:16)
  7. Hebt vurige liefde (1 Petrus 4:8)

14 keer ‘Houd’

  1. Voorthoudende het Woord des levens (Filipenzen 2:16)
  2. Behoudt het goede (1 Thessalonicenzen 5:21)
  3. Houd christelijke tradities (2 Thessalonicenzen 2:15; 2 Thessalonicenzen 3:6)
  4. Houd geloof (1 Timotheüs 1:19; 1 Timotheüs 3:9)
  5. Houd een goed geweten (1 Timotheüs 1:19)
  6. Houd de gezonde woorden (2 Timotheüs 1:13)
  7. Houd de gezonde woorden (Openbaring 2:25)
  8. Houd dat gij hebt (Openbaring 3:11)
  9. Houd uw kroon (Openbaring 3:11)
  10. Houd dienaren in waarde (Filipenzen 2:29)
  11. Houd het eeuwige leven (1 Timotheüs 6:12,19)
  12. Houd hoop (Hebreeën 6:18)
  13. Houd de roem der hoop (Hebreeën 3:6,14)
  14. Houd wat gij ontvangen en gehoord hebt (Openbaring 3:3)

100 keer ‘Laat’ en andere geboden

  1. Laat uw licht schijnen (Mattheüs 5:16; Lucas 12:35)
  2. Laat zijn uw woord ja, neen (Mattheüs 5:37; Jacobus 5:12)
  3. Laat uw vijand ook uw mantel (Mattheüs 5:40; Lucas 6:29)
  4. Laat blinde leidslieden varen (Mattheüs 15:14)
  5. Laat een ieder zichzelf verloochenen (Mattheüs 16:24; Marcus 8:34; Lucas 9:23)
  6. Laat een ieder zijn kruis op nemen (Mattheüs 16:24; Marcus 8:34; Marcus 10:21; Lucas 9:23)
  7. Laat hem horen (Marcus 4:23; Lucas 14:35)
  8. Laat hem delen met de behoeftigen (Lucas 3:11)
  9. Laat uw lendenen omgord zijn (Lucas 12:35)
  10. Laat een ieder zijn male en buidel nemen (Lucas 22:36)
  11. Laat hem zijn kleed verkopen en een zwaard kopen (Lucas 22:36)
  12. Laat uw liefde ongeveinsd zijn (Romeinen 12:9)
  13. Laat een ieder de wetten van het land gehoorzamen (Romeinen 13:1)
  14. Laat een ieder zijn eigen sabbatdag kiezen (Romeinen 14:5-7; Kolossenzen 2:14-17)
  15. Laat een ieder erop toezien hoe hij bouwt op Christus (1 Corinthiërs 3:10)
  16. Niemand bedriege zichzelven (1 Corinthiërs 3:18)
  17. Laat iedere man zijn eigen vrouw hebben (1 Corinthiërs 7:2)
  18. Laat ieder vrouw haar eigen man hebben (1 Corinthiërs 7:2)
  19. Laat echtgenoten elkaar bevredigen in hun seksuele relatie (1 Corinthiërs 7:4-5)
  20. Laat hen die zich niet kunnen onthouden, trouwen (1 Corinthiërs 7:9)
  21. Laat mannen en vrouwen ongetrouwd blijven als ze elkaar verlaten of zich weer verzoenen (1 Corinthiërs 7:11)
  22. Laat de ongelovige scheiden die wil scheiden (1 Corinthiërs 7:15)
  23. Laat iedere man in zijn roeping blijven (1 Corinthiërs 7:17-24)
  24. Laat niemand besnijding ongedaan proberen te maken (1 Corinthiërs 7:18)
  25. Laat niemand zich besnijden (als een religieus ritueel, 1 Corinthiërs 7:18)
  26. Laat een vader zijn dochter ten huwelijk geven als zij dat wenst (1 Corinthiërs 7:36-38)
  27. Laat hem die meent te staan toezien dat hij niet valle (1 Corinthiërs 10:12)
  28. Laat niemand uit eigenbelang rijkdom zoeken (1 Corinthiërs 10:24)
  29. Laat de vrouw haar haar snijden als zij niet bedekt is (1 Corinthiërs 11:6)
  30. Laat de vrouw zich bedekken als het lelijk is voor haar geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben (1 Corinthiërs 11:6)
  31. Laat iedereen zichzelf onderzoeken wanneer hij brood en beker neemt (1 Corinthiërs 11:28)
  32. Laat de hongerige thuis eten, niet tijdens brood en beker (1 Corinthiërs 11:34)
  33. Laat degene die in tongen spreekt, bidden voor de uitlegging ervan (1 Corinthiërs 14:13)
  34. Laat alle dingen geschieden tot stichting (1 Corinthiërs 14:26)
  35. Laat ten hoogste drie in tongen spreken tijdens een dienst (1 Corinthiërs 14:27)
  36. Laat één het uitleggen (1 Corinthiërs 14:27)
  37. Laat het gevoelen van Christus in u zijn (Filipenzen 2:5)
  38. Laat uw bescheidenheid alle mensen bekend zijn (Filipenzen 4:5)
  39. Laat uw begeerten bekend worden bij God (Filipenzen 4:6)
  40. Laat u dan niemand oordele in spijs of in drank, heilige dagen, nieuwe maan en sabbatdagen (Kolossenzen 2:14-17; Romeinen 14:5-7)
  41. Laat niemand uw beloning beroven door een ijdele religie (Kolossenzen 2:18)
  42. Laat vrede in uw hart heersen (Kolossenzen 3:15)
  43. Laat het Woord in u wonen (Kolossenzen 3:16)
  44. Laat uw woorden aangenaam zijn (Kolossenzen 4:6)
  45. Laat niemand u verleiden over de dag van Christus die komt (2 Thessalonicenzen 2:3)
  46. Laat niemand uw jonkheid verachten (1 Timotheüs 4:12)
  47. Laat de spreker in tongen zwijgen in de gemeente dat hij tot zichzelf en God spreke als er geen uitlegger is (1 Corinthiërs 14:28)
  48. Laat twee of drie profeten spreken en dat de anderen oordelen (1 Corinthiërs 14:29)
  49. Laat de een na de ander profeteren (1 Corinthiërs 14:30)
  50. Laat de vrouwen stil leren in de gemeente of thuis. (1 Corinthiërs 14:34-35; 1 Timotheüs 2:11)
  51. Laat een ieder erkennen dat de regeling der geestelijke gaven de geboden van de Heere zijn (1 Corinthiërs 14:37)
  52. Laat de rebellerende tegen de waarheid onwetend blijven (1 Corinthiërs 14:38)
  53. Laat alle dingen worden gedaan in goede orde (1 Corinthiërs 16:2)
  54. Laat een ieder geven naar dat hij van God welvaren verkregen heeft (1 Corinthiërs 16:2)
  55. Laat alles in liefde geschieden (1 Corinthiërs 16:14)
  56. Laat een ieder blijmoedig geven (2 Corinthiërs 9:7)
  57. Laat hen die rebelleren tegen de waarheid, vervloekt zijn (1 Corinthiërs 16:22; Galaten 1:8-9)
  58. Laat een ieder zijn eigen werk beproeven (Galaten 6:4)
  59. Laat hen die onderwezen worden hem steunen die onderwijst (Galaten 6:6)
  60. Laat de dief niet meer stelen (Efeziërs 4:28)
  61. Laat de dief werken inplaats van te stelen zodat hij anderen kan geven (Efeziërs 4:28)
  62. Laat geen vuile rede uit uw mond komen (Efeziërs 4:29)
  63. Laat bitterheid, toornigheid, gramschap, geroep en lastering en alle boosheid van u weg (Efeziërs 4:31)
  64. Laat niemand u verleiden met ijdele woorden (Efeziërs 5:6)
  65. Laat de vrouwen aan hun mannen onderworpen zijn (Efeziërs 5:22,24; Kolossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1-6)
  66. Laat de mannen hun vrouwen lief hebben (Efeziërs 5:25,28,33; Kolossenzen 3:19; 1 Petrus 3:7)
  67. Laat de vrouwen hun mannen vreze (Efeziërs 5:33)
  68. Laat u wandel waardig zijn zoals het voor het Evangelie van Christus hoort (Filipenzen 1:27)
  69. Doet geen ding door twisting of ijdele eer (Filipenzen 2:3)
  70. Laat de een de ander uitnemender achten dan zichzelven (Filipenzen 2:3)
  71. Laat de ouderlingen die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden (betaald worden) (1 Timotheüs 5:17)
  72. Laat dienstknechten hun meesters eren (1 Timotheüs 6:1)
  73. Laat meesters hun dienstknechten respecteren (1 Timotheüs 6:2)
  74. Laat iedere christen afstand nemen van ongerechtigheid (2 Timotheüs 2:19)
  75. Dat niemand u verachten (Titus 2:15)
  76. Dat de broederlijke liefde blijft (Hebreeën 13:1)
  77. Uw wandel zij zonder geldgierigheid (Hebreeën 13:5)
  78. Laat lijdzaamheid volmaakt zijn (Jacobus 1:4)
  79. Laat iemand die wijsheid ontbreekt God erom vragen (Jacobus 1:5)
  80. Laat hem vragen in geloof (Jacobus 1:6)
  81. Laat de verhevene zich verheugen (Jacobus 1:9)
  82. Laat de nederige zich verheugen (Jacobus 1:10)
  83. Laat niemand zeggen ik wordt verzocht door God (Jacobus 1:13)
  84. een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn (Jacobus 1:19)
  85. Laat de verstandige zijn wijsheid en kennis bewijzen (Jacobus 3:13)
  86. Laat de lichthartige zondaars berouw krijgen (Jacobus 4:9)
  87. Laat degene die lijdt, bidden (Jacobus 5:13)
  88. Laat de blijmoedige psalmzingen (Jacobus 5:13)
  89. Laat de zieken de ouderlingen roepen (Jacobus 5:14)
  90. Laat de ouderlingen bidden voor de zieken, hen zalven met olie (Jacobus 5:14-15; verg. Marcus 6:13)
  91. Laat versiering meer innerlijk dan uiterlijk zijn (1 Petrus 3:3-4; 1 Timotheüs 2:9-10)
  92. Laat een ieder zijn tong weerhouden van kwaad en zijn lippen van bedrog (1 Petrus 3:10)
  93. Laat een ieder wijken van het kwaad, goed doen, de vrede zoeken en denzelve najagen (1 Petrus 3:11)
  94. Laat predikanten voor God spreken (1 Petrus 4:11)
  95. Laat niemand lijden als een doodslager, dief, kwaaddoener of bemoeizuchtige (1 Petrus 4:15)
  96. Laat niemand zich schamen die als een christen lijdt, maar dankbaar zijn (1 Petrus 4:16)
  97. Laat hen die lijden als christenen hun zielen bevelen aan God (1 Petrus 4:19)
  98. Laat het eeuwige leven in u blijven (1 Johannes 2:24-25)
  99. Laat niemand u misleiden over rechtvaardig zijn (1 Johannes 3:7)
  100. Laat hem die oren heeft, horen (Openbaring 2:7,11,17,29; Openbaring 3:6,13,22)

12 keer ‘Laat niet’

  1. Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet (Mattheüs 6:3)
  2. Laat geen mens hen die getrouwd zijn, scheiden (Mattheüs19:6)
  3. Laat van het goede geen kwaad gesproken worden (Romeinen 14:16)
  4. Laat de zonde niet in het lichaam heersen (Romeinen 6:12)
  5. Laat hem die eet, hem niet verachten die niet eet (Romeinen 14:3)
  6. Laat hem die niet eet, niet hem veroordelen die wel eet (Romeinen 14:3)
  7. Laat de vrouw niet van de man scheiden (1 Corinthiërs 7:10)
  8. Laat de man niet zijn vrouw verlaten (1 Corinthiërs 7:11)
  9. Laat de christen niet de ongelovige partner verlaten als die bij hem wil blijven (1 Corinthiërs 7:12-13)
  10. Laat de zon niet ondergaan over uw toornigheid (Efeziërs 4:26)
  11. Laat er geen hoererij, onreinigheid, gierigheid, vuiligheid, zot geklap en gekkernij genoemd worden onder u gelijkerwijs het den heiligen betaamt (Efeziërs 5:3-4)
  12. Laat onwaardige weduwen niet gesteund worden door de kerk (1 Timotheüs 5:9-16)

42 keer ‘Laten we’

  1. Laten ons eerlijk wandelen (Romeinen 13:13)
  2. Laten we afleggen de werken der duisternis (Romeinen 13:12)
  3. Laten we aandoen de wapenen des lichts (Romeinen 13:12)
  4. Laten ons najagen hetgeen tot den vrede dient (Romeinen 14:19)
  5. Laten we najagen hetgeen tot de stichting dient (Romeinen 14:19)
  6. Laat een ieder van ons zijn naaste behagen ten goede (Romeinen 15:2-3)
  7. Laten we oprecht zijn (1 Corinthiërs 5:8)
  8. Laten ons geen hoereerders zijn (1 Corinthiërs 10:8)
  9. Laten ons Christus niet verzoeken (1 Corinthiërs 10:9)
  10. Laten we niet murmureren (1 Corinthiërs 10:10)
  11. Laten we ons reinigen van de besmetting van lichaam en geest (2 Corinthiërs 7:1)
  12. Laten we de heiligmaking voleindigen (2 Corinthiërs 7:1)
  13. Laten we in de Geest wandelen (Galaten 5:25)
  14. Laten ons niet zoekers zijn van ijdele eer (Galaten 5:26)
  15. Laten we elkaar niet tergen (Galaten 5:26)
  16. Laten we elkaar niet benijden (Galaten 5:26)
  17. Laten we niet moede worden het goede te doen (Galaten 6:9)
  18. Laten we goed doen aan allen (Galaten 6:10)
  19. Laten we vooral goed doen aan mede christenen (Galaten 6:10)
  20. Laten wij die rijp zijn, jagen naar het doel (Filipenzen 3:14-15)
  21. Laten ons naar denzelfden regel wandelen (Filipenzen 3:16)
  22. Laten we hetzelfde gevoelen (Filipenzen 3:16)
  23. Laten we niet geestelijk slapen (1 Thessalonicenzen 5:6)
  24. Laten we waken en nuchter zijn (1 Thessalonicenzen 5:6,8)
  25. Laten ons vergenoegd zijn met voedsel en kleding (1 Timotheüs 6:8)
  26. Laten we vrezen onze ziel te verliezen (Hebreeën 4:1-2)
  27. Laten we ons benaarstigen naar onze verlossing (Hebreeën 4:11)
  28. Laten we aan onze belijdenis vasthouden (Hebreeën 10:23)
  29. Laten we met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade (Hebreeën 4:16; Hebreeën 10:19-23)
  30. Laten we doorgaan tot de volmaaktheid (Hebreeën 6:1)
  31. Let us draw near to God (Hebreeën 10:22)
  32. Laten we onze onderlinge bijeenkomsten voor aanbidding niet nalaten (Hebreeën 10:24)
  33. Laten we onze bijeenkomsten niet verzuimen (Hebreeën 10:25)
  34. Laten we elkaar vermanen (Hebreeën 10:25)
  35. Laten we ieder last afleggen (Hebreeën 12:1)
  36. Laten we de zonde die ons omringt afleggen (Hebreeën 12:1)
  37. Laten we de loopbaan met lijdzaamheid lopen (Hebreeën 12:1)
  38. Laten we op Jezus zien (Hebreeën 12:2)
  39. Laten we de genade vasthouden om God te dienen (Hebreeën 12:28)
  40. Laten we de smaad van Christus dragen (Hebreeën 13:13)
  41. Laten we voortdurend ons offer van lofprijs offeren (Hebreeën 13:15)
  42. Laten ons elkander liefhebben (1 Johannes 4:7,11)

8 keer ‘Laten we niet’

  1. Laten we niet wandelen in brasserijen (Romeinen 13:13)
  2. Laten we niet wandelen in dronkenschap (Romeinen 13:13)
  3. Laten we niet wandelen in ontuchtigheden (Romeinen 13:13)
  4. Laten we niet wandelen in losbandigheid (Romeinen 13:13)
  5. Laten we niet wandelen in twist (Romeinen 13:13)
  6. Laten we niet wandelen in nijdigheid (Romeinen 13:13)
  7. Laten we elkaar niet oordelen in twijfelachtige zaken (Romeinen 14:13)
  8. Laten we elkaar geen aanstoot of ergernis geven (Romeinen 14:13)

3 manieren om te leven

  1. Leef vreedzaam (Romeinen 12:18; 2 Corinthiërs 13:11)
  2. Leef vrij van angsten en overmatige zorgen (1 Corinthiërs 7:28-35)
  3. Leef niet langer in de lusten van de zonde (1 Petrus 4:2)

4 geboden om ‘lief te hebben’

  1. Hebt uw vijanden lief (Mattheüs 5:44; Lucas 6:27,35)
  2. Hebt uw christenbroeders lief (Johannes 13:34;
  3. Hebt uw christenbroeders lief (Johannes 13:34; Johannes 15:12,17; Galaten 5:14; 1 Petrus 2:17; 1 Johannes 3:23; 2 Johannes 1:5)
  4. Hebt de broederschap lief (1 Petrus 2:17)
  5. Hebt uw broeder lief (1 Johannes 4:21)

2 dingen om niet lief te hebben

  1. De wereld (1 Johannes 2:15)
  2. De dingen van de wereld (1 Johannes 2:15)

3 manieren om lief te hebben

  1. Vurig (1 Petrus 2:22)
  2. Met een rein hart (1 Petrus 2:22)
  3. Als broeders (1 Petrus 3:8)

1 Persoon om tot te bidden

  1. Bid tot de Vader (Mattheüs 6:6; Mattheüs 6:9; Johannes 16:23-26)

3 dingen om voor te bidden

  1. Je vervolgers (Mattheüs 5:44; Lucas 6:28)
  2. Voor arbeiders (Mattheüs 9:38; Lucas 10:2)
  3. Voor elkaar (Jacobus 5:16)

2 manieren waarop je niet moet bidden

  1. Gebruik geen ijdel verhaal van woorden zoals de heidenen (Mattheüs 6:7)
  2. Bidt niet zoals de geveinsden (Mattheüs 6:5)

3 manieren om te bidden

  1. Bid op deze wijze (Mattheüs 6:9-13)
  2. Vraag, zoek, klop (Mattheüs 7:7-11)
  3. Bid in de Geest (Judas 1:20)

4 dingen om te beproeven

  1. Beproeft uzelven (2 Corinthiërs 13:5)
  2. Beproeft wat de Heere welbehagelijk is (Efeziërs 5:10)
  3. Beproeft alle dingen (1 Thessalonicenzen 5:21)
  4. Beproeft beschuldigingen tegen ouderlingen (1 Timotheüs 5:19)

2 geboden om je te verheugen

  1. Verblijdt u (Mattheüs 5:12; Romeinen 15:10)
  2. Verblijdt u ten allen tijd (1 Thessalonicenzen 5:16)

8 keer ‘Doe weg’

  1. Doe alle boze mensen weg uit de gemeente (1 Corinthiërs 5:13)
  2. Doe leugens weg (Efeziërs 4:25)
  3. Doe alle bitterheid weg (Efeziërs 4:31)
  4. Doe toornigheid weg (Efeziërs 4:31)
  5. Doe gramschap weg (Efeziërs 4:31)
  6. Doe al geroep weg (Efeziërs 4:31)
  7. Doe lastering weg (Efeziërs 4:31)
  8. Doe alle boosheid weg (Efeziërs 4:31)

6 keer ‘Leg af’

  1. Leg af de oude mens (Efeziërs 4:22; Kolossenzen 3:9)
  2. Leg af gramschap (Kolossenzen 3:8)
  3. Leg af toorn (Kolossenzen 3:8)
  4. Leg af kwaadheid (Kolossenzen 3:8)
  5. Leg af godslastering (Kolossenzen 3:8)
  6. Leg af vuil spreken (Kolossenzen 3:8)

12 keer ‘Doe aan’

  1. Doe Jezus Christus aan (Romeinen 13:14)
  2. Doe aan de wapenen des lichts (Romeinen 13:12)
  3. Doe aan de nieuwe mens (Efeziërs 4:24; Kolossenzen 3:10)
  4. Doe de gehele wapenrusting Gods aan (Efeziërs 6:11,13)
  5. Doe aan de barmhartigheid (Kolossenzen 3:12)
  6. Doe aan goedertierenheid (Kolossenzen 3:12)
  7. Doe aan ootmoedigheid (Kolossenzen 3:12)
  8. Doe aan zachtmoedigheid (Kolossenzen 3:12)
  9. Doe aan lankmoedigheid (Kolossenzen 3:13)
  10. Doe aan de liefde (Kolossenzen 3:14)
  11. Doe aan het borstwapen des geloofs en der liefde (1 Thessalonicenzen 5:8)
  12. Doe aan de hoop der zaligheid (1 Thessalonicenzen 5:8)

1 groep om niet te vermanen

  1. Ouderen (1 Timotheüs 5:1)

3 dingen om te vermanen

  1. Die zondigen (1 Timotheüs 5:20)
  2. Rebellen (Titus 1:13)
  3. Werken der duisternis (Efeziërs 5:11)

2 manieren om te vermanen

  1. Met allen ernst (Titus 2:15)
  2. Met alle lankmoedigheid (2 Timotheüs 4:2)

4 dingen om je in te verheugen

  1. Hoop (Romeinen 12:12)
  2. Zegeningen van anderen (Romeinen 12:15)
  3. De Heere (Filipenzen 3:1; Filipenzen 4:4)
  4. Lijden voor Christus (1 Petrus 4:13)

5 dingen om te herinneren

  1. Waaruit je gered bent (Efeziërs 2:11-12)
  2. Zij die lijden (Hebreeën 13:3)
  3. Zij die je leiden (Hebreeën 13:7)
  4. Waarheid (Judas 17-18; Openbaring 3:3)
  5. Afval en bekering (Openbaring 2:5)

4 dingen om naar te zoeken

  1. Gods koninkrijk eerst (Mattheüs 6:33; Lucas 12:31)
  2. God, in gebed (Mattheüs 7:7)
  3. Stichting van de gemeente (1 Corinthiërs 14:12)
  4. Dingen die boven zijn (Kolossenzen 3:1)

1 gebod om vast te staan

  1. Sta vast en houdt de christelijke inzettingen (2 Thessalonicenzen 2:15)

3 dingen om vast mee te staan

  1. Lenden omgord met de waarheid
  2. Borstwapen der gerechtigheid
  3. Voeten geschoeid met de bereidheid van het Evangelie des vredes (Efeziërs 6:14-15)

5 dingen om in te staan

  1. Geloof (1 Corinthiërs 16:13)
  2. Vrijheid (Galaten 5:1)
  3. Één geest (Filipenzen 1:27)
  4. Één gemoed (Filipenzen 1:27)
  5. De Heere (Filipenzen 4:1)

8 dingen om aan te denken

  1. Dingen over je ware zelf (Romeinen 12:3; 1 Corinthiërs 3:18)
  2. Waarachtige dingen
  3. Eerlijke dingen
  4. Rechtvaardige dingen
  5. Reine dingen
  6. Liefelijke dingen
  7. Dingen van goede roeping
  8. Dingen van deugd (Filipenzen 4:8)

1 manier om te denken

  1. Denk nuchter (Romeinen 12:3)

5 geboden ‘je te onderwerpen’

  1. Weest elkander onderdanig (Efeziërs 5:21)
  2. Onderwerp je aan God (Jacobus 4:7)
  3. Onderwerp je aan iedere menselijke ordening (1 Petrus 2:13-14; Romeinen 13:1-8)
  4. Jongeren moeten zich aan de ouderen onderwerpen (1 Petrus 5:5)
  5. Vrouwen weest uw mannen onderdanig (Efeziërs 5:22; Kolossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1-6)

Twaalf keer ‘Zijt & Neem’

  1. Zijt niet bezorgd over de noodzakelijke dingen van het leven (Mattheüs 6:25,31; Lucas 12:22-30)
  2. Zijt dan niet bezorgd over morgen (Mattheüs 6:34)
  3. Zijt niet bezorgd over u verdediging (Mattheüs 10:19; Marcus 13:9-11; Lucas 12:11-12; Lucas 21:14)
  4. Neem mijn juk op u (Mattheüs 11:29)
  5. Maak gebruik van vrijheid (1 Corinthiërs 7:21)
  6. Neem het avondmaal in herinnering aan Christus (1 Corinthiërs 11:24-26)
  7. Neem het schild des geloofs (Efeziërs 6:16)
  8. Neem de helm der zaligheid (Efeziërs 6:17)
  9. Neem het zwaard des Geestes (Efeziërs 6:17)
  10. Neem gewilliglijk het opzicht over de kudde (1 Petrus 5:2)
  11. Neem overzicht over de kudde Gods zonder gedachte aan persoonlijk gewin (1 Petrus 5:2)
  12. Neem de laatste plaats (Lucas 14:8)

18 keer ‘Ziet erop toe & Hebt acht’

  1. Hebt acht dat gij u aalmoes niet doet voor de mensen (Mattheüs 6:1)
  2. Ziet toe dat gij niet een van deze kleinen veracht (Mattheüs 18:10)
  3. Ziet toe, dat u niemand verleide (Mattheüs 24:4; Marcus 13:5; Lucas 21:8)
  4. Ziet erop toe, wat gij hoort (Marcus 4:24)
  5. Ziet dan, hoe gij hoort (Lucas 8:18)
  6. Ziet erop toe in het licht te wandelen (Lucas 11:35)
  7. Zie erop toe te vermanen en te vergeven (Lucas 17:3)
  8. Zie erop toe niet dronken te worden (Lucas 21:34)
  9. Zie erop toe niet te brassen (Lucas 21:34)
  10. Zie erop toe niet door zorgen overmand te worden (Lucas 21:34)
  11. Zie toe op jezelf (Mattheüs13:9; Lucas 17:3; Lucas 21:34; Handelingen 20:28)
  12. Ziet op de kudde Gods (Handelingen 20:28)
  13. Zie erop toe niet je vrijheid te misbruiken (1 Corinthiërs 8:9)
  14. Zie erop toe dat je niet valt (1 Corinthiërs 10:12; Romeinen 11:21)
  15. Zie toe op je bediening (Kolossenzen 4:17)
  16. Zie erop toe dat je elkaar niet vernietigt (Galaten 5:15)
  17. Heb acht op uzelven en de leer (1 Timotheüs 4:16)
  18. Zie erop toe niet af te wijken (Hebreeën 3:12)

2 manieren waarop je niet moet wandelen

  1. Als zondaars (Efeziërs 4:17)
  2. Als onwijzen (Efeziërs 5:15)

4 keer ‘gij zult’

  1. Gij zult God alleen aanbidden (Mattheüs 4:10; Lucas 4:8)
  2. Gij zult God alleen dienen (Mattheüs 4:10; Lucas 4:8)
  3. Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven (Mattheüs 5:43; Mattheüs 19:19; Mattheüs 22:39; Marcus 12:31; Lucas 10:27; Romeinen 13:9; Galaten 5:14)
  4. Gij zult de Heere uw God liefhebben met geheel uw hart (Mattheüs 22:37; Marcus 12:30; Lucas 10:27)

7 dingen om in te wandelen

  1. De Geest (Galaten 5:16)
  2. Liefde (Efeziërs 5:2)
  3. Het licht (Efeziërs 5:8-9; 1 Johannes 1:7)
  4. Waakzaamheid (Efeziërs 6:18)
  5. Christus (Kolossenzen 2:6-7; 2 Corinthiërs 5:17)
  6. Wijsheid (Kolossenzen 4:5)
  7. Eerlijkheid (1 Thessalonicenzen 4:12)

8 keer ‘Gij zult niet’

  1. Gij zult de Heere niet verzoeken (Mattheüs 4:7; Lucas 4:12)
  2. Gij zult niet doden (Mattheüs 5:21; Mattheüs 19:18; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
  3. Gij zult geen overspel plegen (Mattheüs 5:27-28; Mattheüs 19:18; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
  4. Gij zult niet bidden om door de mensen te worden gezien (Mattheüs 6:5)
  5. Gij zult niet stelen (Mattheüs 19:18; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
  6. Gij zult geen valse getuigenis geven (Mattheüs 19:18; Marcus 10:19; Lucas 18:20; Romeinen 13:9)
  7. Gij zult niet begeren (Romeinen 13:9)
  8. Gij zult een dorsenden os niet muilbanden (1 Corinthiërs 9:9; 1 Timotheüs 5:18)

200 verschillende geboden

  1. Hebt een afkeer van het boze (Romeinen 12:9)
  2. Een opziener moet zijn: (zie karakteristieken in 1 Timotheüs 3:2-7; Titus 1:6-9)
  3. Blijf in Christus (Johannes 15:4)
  4. Blijf bij wie waardig is (Mattheüs 10:11-13; Marcus 6:10; Lucas 9:4; Lucas 10:5-8)
  5. Ontvreemdt niemand het zijne met bedrog (Lucas 3:14)
  6. Ontvreemdt niemand het zijne met bedrog (2 Petrus 1:5-7)
  7. Geef je eigen nutteloosheid toe (Lucas 17:10)
  8. Vermaant elkander (Kolossenzen 3:16)
  9. Vermaant de ongeregelden (2 Thessalonicenzen 3:15)
  10. Weest welgezind jegens uw wederpartij (Mattheüs 5:25)
  11. Staat geen vrijheid toe die je tot zonde verleidt (1 Corinthiërs 10:25-30)
  12. Sta geen lust naar het boze toe in je lichaam (1 Thessalonicenzen 4:5)
  13. Sta geen zegening en vervloeking toe uit dezelfde mond (Jacobus 3:10)
  14. Zalf je hoofd en was je aangezicht als je vast (Mattheüs 6:17)
  15. Wapen jezelf met een gemoed te lijden voor Christus (1 Petrus 4:1)
  16. Wreek jezelf niet (Romeinen 12:19)
  17. Ontwaak van de dood tot het licht (Efeziërs 5:14)
  18. Draagt elkanders lasten (Galaten 6:2)
  19. Gedraagt u als mannen (1 Corinthiërs 16:13)
  20. Wens een valse leraar geen geluk toe (2 Johannes 1:10-11)
  21. Lever bewijs van je bekering (Mattheüs 3:8; Lucas 3:8)
  22. Breng je kinderen groot in de Heer (Efeziërs 6:4)
  23. Bouw je geloof op (Judas 1:20)
  24. Nodig de armen uit op je feest (Lucas 14:13)
  25. Kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam (Efeziërs 6:1; Kolossenzen 3:20)
  26. Reinigt de melaatsen (Mattheüs 10:8)
  27. Reinigt de handen, gij zondaars (Jacobus 4:8)
  28. Hangt het goede aan (Romeinen 12:9)
  29. Verzamel alleen wat je toekomt (Lucas 3:13)
  30. Gaat uit het midden van hen (2 Corinthiërs 6:17)
  31. Beveel en leer deze dingen (1 Timotheüs 4:11; 1 Timotheüs 6:2)
  32. Betrouw de waarheid getrouwe mensen aan (2 Timotheüs 2:2)
  33. Belijdt elkander de misdaden (Jacobus 5:16)
  34. Reken het als vreugde wanneer je verzocht wordt (Jacobus 1:2)
  35. Snijd de leden af die aanstoot geven (Mattheüs 5:29-30; Mattheüs 18:8-9)
  36. Wat diakenen moeten zijn: (zie 1 Timotheüs 3:8-12)
  37. Gij zult geen valse getuigenis geven (Marcus 10:19)
  38. Ijvert om de geestelijke gaven (1 Corinthiërs 14:1)
  39. Zijt zeer begerig naar de melk van het Woord (1 Petrus 2:2)
  40. Veracht de profetieën niet (1 Thessalonicenzen 5:20)
  41. Verderf niemand met onbelangrijke dingen (Romeinen 14:15; 1 Corinthiërs 8:13)
  42. Nadert tot God (Jacobus 4:8)
  43. Eet je eigen brood in stilte (2 Thessalonicenzen 3:12)
  44. Strijdt voor het geloof (Judas1:3)
  45. Sticht jezelf met zingen (Efeziërs 5:19)
  46. Sticht elkaar (1 Thessalonicenzen 5:11)
  47. Gaat in door de enge (smalle) poort (Mattheüs 7:13; Lucas 13:24)
  48. Onderzoek jezelf in je geloof (2 Corinthiërs 13:5)
  49. Oefen in godzaligheid (1 Timotheüs 4:7-8)
  50. Vermaan den dienstknechten dat zij onderdanig zijn (Titus 2:9-10)
  51. Vermaant elkander ten allen dage (Hebreeën 3:13)
  52. Vreest niet (Lucas 12:32)!
  53. Strijd den goeden strijd des geloofs (1 Timotheüs 6:12)
  54. Jaagt den vrede na en de heiligmaking (Hebreeën 12:14)
  55. Verdragende elkander (Kolossenzen 3:13)
  56. Verhindert de kinderen niet (Mattheüs 19:14; Marcus 10:14; Lucas 18:16)
  57. Verhindert het spreken in vreemde talen niet (1 Corinthiërs 14:39)
  58. Vergeet de mededeelzaamheid niet (Hebreeën 13:16)
  59. Vergeef 490 keer (Mattheüs 18:22)
  60. Vergeef (Mattheüs 11:25-26; Lucas 6:37; Efeziërs 4:32; Kolossenzen 3:13)
  61. Erger je niet over dienstbaarheid (2 Corinthiërs 7:21)
  62. Omgord de lenden uws verstands (1 Petrus 1:13)
  63. Geeft den toorn plaats (Romeinen 12:19)
  64. Geef uw vijand water te drinken (Romeinen 12:20)
  65. Geef geen oorzaak van lastering aan de wederpartij (1 Timotheüs 5:14)
  66. Eer God in lichaam en geest (2 Corinthiërs 6:20; verg. Romeinen 12:1-2)
  67. Bedroeft den Heiligen Geest niet (Efeziërs 4:30)
  68. Wast op in de genade en kennis (2 Petrus 3:18)
  69. Zucht niet tegen elkander (Jacobus 5:9)
  70. Verhardt uw harten niet (Hebreeën 3:8-15)
  71. Haat de rok die van het vlees bevlekt is (Judas 1:23)
  72. Heb geen aanzien der persoon (partijdigheid, vooroordeel) (1 Timotheüs 5:21)
  73. Heb dezelfde liefde (Filipenzen 2:2)
  74. Heb geen gemeenschap met de werken der duisternis (Efeziërs 5:11)
  75. Geneest de kranken (Mattheüs 10:8; Lucas 10:9)
  76. Help de waarheid te verspreiden (3 Johannes 1:8)
  77. Vernedert u (Jacobus 4:10; 1 Petrus 5:6)
  78. Mannen, hebt uw eigen vrouwen lief (Efeziërs 5:25,28; Kolossenzen 3:19; 1 Petrus 3:7)
  79. Mannen, weest niet bitter tegen uw vrouwen (Kolossenzen 3:19)
  80. Onderwijs rebellen in zachtmoedigheid (2 Timotheüs 2:25)
  81. Behandel anderen zoals in 1 Timotheüs 5:1-2.
  82. Oordeel niet (Mattheüs 7:1; Lucas 6:37)
  83. Heb geloof tegenover God voor dingen die niet zijn veroordeelt in de schrift (Romeinen 14:22-23)
  84. Weet je lichaam te beheersen (1 Thessalonicenzen 4:4)
  85. Vergadert geen schatten op aarde (Mattheüs 6:19)
  86. Vergadert schatten in de hemel (Mattheüs 6:20; Lucas 12:33-34)
  87. Grijp naar het eeuwige leven (1 Timotheüs 6:12)
  88. Verlaat je ouders en hang je vrouw aan (Mattheüs 19:5; Marcus 10:7; Efeziërs 5:31)
  89. Leen, zonder iets weder te verwachten (Lucas 6:35)
  90. Liegt niet (Kolossenzen 3:9)
  91. Richt weder op de trage handen (Hebreeën 12:12)
  92. Een iegelijk zie niet alleen op het zijne (Filipenzen 2:4)
  93. Zie er ijverig op toe niet te verachteren van de genade (Hebreeën 12:15)
  94. Zie er ijverig op toe dat geen wortel van bitterheid je verontreinigt (Hebreeën 12:15)
  95. Zie er op toe dat niemand zij een hoereerder (Hebreeën 12:16-17)
  96. Zie erop toe dat je niet het volle loon verliest (2 Johannes 1:8)
  97. Verwacht de barmhartigheid ten eeuwigen levens (Judas 1:21)
  98. Heb geen lust tot het kwaad (1 Corinthiërs 10:6)
  99. Maakt den boom goed of kwaad (Mattheüs 12:33)
  100. Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden (Romeinen 13:14)
  101. Maak dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij (2 Timotheüs 4:5)
  102. Maakt rechte paden (Hebreeën 12:13)
  103. Neemt acht op hen die tweedracht en ergernissen aanrichten (Romeinen 16:17; Filipenzen 3:17)
  104. Neemt acht op hen die zich ongeregeld gedragen (2 Thessalonicenzen 3:14)
  105. Verwondert u niet als de wereld u haat (1 Johannes 3:13)
  106. Meesters, weest goed voor uw dienstknechten (Efeziërs 6:9; Kolossenzen 4:1)
  107. Mediteer over dingen zoals 1 Timotheüs 4:15.
  108. Tracht niet naar hoge dingen (Romeinen 12:16)
  109. Dient als goede rentmeesters (1 Petrus 4:10)
  110. Doodt de leden van het lichaam die aanstoot geven (Kolossenzen 3:5; Romeinen 8:12-13)
  111. Weest niet wankelmoedig (Lucas 12:29)
  112. Niemand bedriege zijn broeder (1 Thessalonicenzen 4:6)
  113. Verzuim de geestelijke gaven niet (1 Timotheüs 4:14; verg. 2 Timotheüs 1:6)
  114. Gehoorzaam je leiders (Hebreeën 13:17)
  115. Keer de andere wang toe (Mattheüs 5:39; Lucas 6:29)
  116. Leg niemand haastelijk de handen op (1 Timotheüs 5:22)
  117. Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben (Romeinen 13:8)
  118. Overwint het kwade door het goede (Romeinen 12:21)
  119. Breng de tijd door in vreze (1 Petrus 1:17)
  120. Betaal uw belastingen (Romeinen 13:6)
  121. Betaal wat je schuldig bent (Romeinen 13:7)
  122. Looft de Heere (Romeinen 15:11)
  123. Predikt (Mattheüs 10:7,27; Marcus 16:15; 2 Timotheüs 4:2)
  124. Stelt uw lichamen tot God (Romeinen 12:1)
  125. Doet dingen op een eerlijke manier (Romeinen 12:17)
  126. Verwekt uw kinderen niet tot toorn (Efeziërs 6:4; Kolossenzen 3:21)
  127. Zuivert dan den ouden zuurdesem uit (kwade invloed) (1 Corinthiërs 5:7)
  128. Zuiver uw harten van twijfels (Jacobus 4:8)
  129. Breng anderen de belangrijke dingen ter gedachtenis (2 Timotheüs 2:14)
  130. Blust den geest niet uit (1 Thessalonicenzen 5:19)
  131. Wekt de doden op (Mattheüs 10:8)
  132. Neemt aan (accepteer) zwakke broeders (Romeinen 14:1)
  133. Neemt elkander aan (Romeinen 15:7)
  134. Ontvangt het Woord met zachtmoedigheid (Jacobus 1:21)
  135. Houd jezelf voor zijnde dood der zonde (Romeinen 6:11)
  136. Houd jezelf voor zijnde levend in God (Romeinen 6:11)
  137. Herken de waarheid (1 Corinthiërs 10:15)
  138. Koop de tijd uit (Efeziërs 5:16; Kolossenzen 4:5)
  139. Verwerp een ketterse mens (Titus 3:10)
  140. Weiger jonge weduwen met kerkfondsen te steunen (1 Timotheüs 5:11)
  141. Herinner mensen aan de zeven dingen van: Titus 3:1-2.
  142. Vergeldt geen kwaad met kwaad (1 Petrus 3:9; Romeinen 12:17)
  143. Bekeert u (Mattheüs 3:2; Mattheüs 4:17; Marcus 1:15; Handelingen 2:38; Handelingen 3:19; Openbaring 2:16; Openbaring 3:19)
  144. Weersta de boze niet (Mattheüs 5:38-39)
  145. Weersta den duivel (Jacobus 4:7; 1 Petrus 5:9)
  146. Wijs de afvallige terecht met zachtmoedigheid ziende op uzelven (Galaten 6:1)
  147. Loopt om de prijs te verkrijgen (1 Corinthiërs 9:24)
  148. Groet niemand onderweg (Lucas 10:4)
  149. Groet je leiders (Hebreeën 13:24)
  150. Heiligt God in uw harten (1 Petrus 3:15)
  151. Behoud anderen door vreze (Judas 1:23)
  152. Onderzoek de schriften (Johannes 5:39)
  153. Vraagt niet naar eten en drinken (Lucas 12:29)
  154. Verkoop om de behoeftigen te helpen (Lucas 12:33)
  155. Dien de Heer (Romeinen 12:1)
  156. Dienstknechten, gehoorzaam uw heren (Efeziërs 6:5-8; Kolossenzen 3:22-25; 1 Petrus 2:18)
  157. Zet de minst geachten tot rechter (1 Corinthiërs 6:4)
  158. Bedenkt de dingen die boven zijn (Kolossenzen 3:2)
  159. Schudt het stof uwer voeten af (Mattheüs 10:14; Marcus 6:11; Lucas 9:5; Lucas 10:10-11)
  160. Toon barmhartigheid tot andere predikanten (Lucas 9:49-50)
  161. Betoon uzelven als een voorbeeld (Titus 2:7)
  162. Toon vier dingen volgens: Titus 2:7-8.
  163. Zondigt niet (1 Corinthiërs 15:34)
  164. Zingt met aangenaamheid in uw hart (Kolossenzen 3:16)
  165. Mijd ijdel gepraat (2 Timotheüs 2:16)
  166. Spreek en doe dingen met het oog op de dag des oordeels (Jacobus 2:12)
  167. Spreek de waarheid (Efeziërs 4:25)
  168. Spreek gezonde leer (Titus 2:1)
  169. Spreek geen kwaad van je broeders (Jacobus 4:11)
  170. Versterk uw harten (Jacobus 5:8)
  171. Versterk je slappe knieën (Hebreeën 12:12)
  172. Strijd gezamenlijk voor het geloof des evangelies (FILÉMON 1:27)
  173. Benaarstig u om stil te zijn (1 Thessalonicenzen 4:11)
  174. Benaarstigt u (wees ijverig) om uzelven beproeft voor te stellen (2 Timotheüs 2:15)
  175. Ondersteunt de zwakken (1 Thessalonicenzen 5:14)
  176. Ziet toe dat niemand kwaad voor kwaad vergelde (1 Thessalonicenzen 5:15)
  177. Zweert niet (Jacobus 5:12; Mattheüs 5:33-36)
  178. Verwacht elkander (1 Corinthiërs 11:33)
  179. Wacht op kracht (Lucas 24:49; Handelingen 1:4-8)
  180. Leert elkander (Kolossenzen 3:16)
  181. Leer geen andere doctrine dan die der waarheid (1 Timotheüs 1:3)
  182. Vertel eerst je broeder alleen van zijn fout (Mattheüs 18:15-17)
  183. Vertrouw op God voor al je behoeften terwijl je werkt (Mattheüs 10:9; Lucas 9:3; Lucas 10:4)
  184. Versta de wil van God (Efeziërs 5:17)
  185. Gebruik je vrijheid niet als gelegenheid te zondigen (Galaten 5:13; 1 Petrus 1:16)
  186. Zijt herbergzaam zonder murmureren (1 Petrus 4:9)
  187. Vermaant de ongeregelden (1 Thessalonicenzen 5:14)
  188. Waakt en bidt (Mattheüs 24:42; Mattheüs 25:13; Marcus 13:33,35; Marcus 14:38; Lucas 21:36; Efeziërs 6:18; Kolossenzen 4:2)
  189. Wees wakker in alles (2 Timotheüs 4:5; 1 Corinthiërs 16:13)
  190. Weent met de anderen (Romeinen 12:15)
  191. Onttrek je aan ongeregelde broeders (2 Thessalonicenzen 3:6,14)
  192. Onttrek je aan boosaardige mensen (1 Timotheüs 6:3-6)
  193. Vrouwen van diakenen moeten zijn: (zie 1 Timotheüs 3:11)
  194. Vrouwen, weest uw mannen onderdanig (Efeziërs 5:22; Kolossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1-6)
  195. Werk met je eigen handen (1 Thessalonicenzen 4:11)
  196. Werk of eet niet (2 Thessalonicenzen 3:10-11)
  197. Werk je eigen verlossing uit (Filemon 2:12)
  198. Stelt uwe leden niet der zonde (Romeinen 6:13)
  199. Stelt uzelven Gode (Romeinen 6:13)
  200. Stelt uw leden tot gerechtigheid (Romeinen 6:13)

2 eeuwige rechten van de verlosten (Openbaring 2:7, 22:14)

  1. Recht op de boom des levens
  2. Recht om het Nieuwe Jeruzalem binnen te gaan

Geraadpleegde bronnen:http://www.petersteffens.nl/artikelen/onderwijs/1050-geboden-in-het-nieuwe-testament.html