Verhaal met een moraal

 

 

 

Het grote huis

Pril geluk

Er was eens een echtpaar. Heel lang geleden. Ze leefden samen in een heel groot huis. Dat had een hele goede vriend voor hen gebouwd en ze mochten het beschouwen als hun eigendom.

Het huis was voorzien van allemaal ramen en deuren die altijd open stonden. Dat kon, want er was totaal geen reden om ze dicht te doen. En zo kon je overdag de zon zien schijnen en de vele vogels horen fluiten of de geuren van de natuur door het huis laten wervelen. Ze waren daar heel gelukkig.

's Avonds maakten ze samen vaak een wandeling met hun beste vriend, die wat verderop woonde, maar altijd wel in de buurt leek te zijn. Het was goed toeven, zo met elkaar.


Vaak waren ze bezig om de mogelijkheden van hun huis te verkennen. Het had namelijk heel veel kamers, waar steeds wel weer iets nieuws te ontdekken viel. Maar het mooiste was toch wel het contact dat ze hadden met hun vriend. Daar verheugden ze zich elke dag op.  

De verduistering

Op een dag, ze woonden nog niet zo lang in het grote huis, kwam er ineens een vreemdeling aan de deur. Hij vroeg met een smoesje de sleutels van het grote huis in bruikleen. Hij zou, zo vertelde hij een beetje geheimzinnig, nog wat verborgenheden laten zien, waar het echtpaar vast wel interesse in had.

Ze wisten wel, dat ze eigenlijk die sleutels niet mochten afgeven: Hun vriend zou op zijn tijd alles ook wel laten zien. Maar het klonk best wel aantrekkelijk. En ze waren ook wel nieuwsgierig. En zo gaven ze hun sleutels af.

Toen gebeurde er iets vreemds: De zon betrok. Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Het werd ineens een beetje kil in het grote huis en ze voelden zich wat alleen. En voor die verborgenheden hadden ze plots niet meer zoveel aandacht. Ze werden bang en trokken zich terug in een klein kamertje ergens in het grote huis.

Wat was er gebeurd? 's Avonds kwam hun vriend langs. Hij stond buiten en riep of het echtpaar weer kwam wandelen. Een beetje angstig en schuchter riepen ze terug dat ze niet meer naar buiten durfden, omdat ze het koud hadden gekregen.

De vriend zei dat hij toen wel begreep wat er was gebeurd: Ze waren geen baas meer in hun eigen huis. Dat vond hij heel spijtig, maar het was hun huis en hij kon er op dat moment niets meer aan doen. Wel gooide hij nog wat kleren naar binnen, zodat ze zich nog enigszins warm konden houden tijdens de winteravonden. En terwijl hij wegliep riep hij nog, dat hij voor hulp zou zorgen, maar dat ze wel geduld moesten hebben tot die hulp zou opdagen.   

De misleiding

Intussen was de vreemdeling in geen velden of wegen meer te zien. Wel merkten ze dat hij in het grote huis rondsloop. Soms hoorde ze hem timmeren en zagen en dan wisten ze dat er weer iets aan het grote huis werd veranderd.

Het was nooit een verbetering, want hun vroegere vriend had het huis perfect gebouwd. Maar zo langzamerhand werden alle ramen en deuren dichtgespijkerd en kon er helemaal geen licht meer van buitenaf in het huis komen.

 

Maar ondanks het feit, dat ze zich enorm eenzaam voelden, moesten ze toch aan de toekomst denken. Ze werden per slot van rekening steeds ouder en alhoewel dat vroeger niet zo was, leek er nu ineens een einde te komen aan alles.

Ze kregen kinderen en aan hen vertelden ze in welke situatie ze waren gekomen door hun eigen schuld. Hoe zij en dus ook hun kinderen onder de heerschappij waren gekomen van de vreemdeling, die zich steeds vrijmoediger in het huis begon te bewegen. Maar steeds vertelden ze er ook bij, dat hun vriend had beloofd voor een oplossing te zorgen.   

Gewenning

De jaren verstreken. En langzamerhand begon het gezin te wennen aan de situatie. De kinderen, die er geboren werden, wisten op den duur niet beter en zo nu en dan hielpen ze zelfs de vreemdeling met het verbouwen van het huis.

Iedereen had zijn eigen kamer en steeds vaker gebeurde het dat ze onderling ruzie kregen. En bijna niemand rekende nog op de hulp, die ooit eens aan hun over-over-enz-grootouders was beloofd. De meesten vonden het eigenlijk wel best zo en liepen wat apathisch op de tast rond in het grote donkere huis.

Velen anderen deden het af als een verhaal voor bij de open haard. Ze zaten dan somber voor zich uit te staren, terwijl iemand heel naïef het oude verhaal nog eens voorlas. Het sprankje hoop, dat op zo'n moment in hun hart omhoog kwam, deden ze af als kinderlijke nonsens. Daarna maakten ze weer ruzie en gunden elkaar het licht niet in de ogen.

En terwijl ze zo hun tijd voortkibbelden, gebeurde het op een goede dag dat de voordeur van het grote huis openging: dat was in eeuwen niet meer gebeurd. De meeste inwoners van het huis wisten niet eens, dat er een voordeur was en hadden er dus ook nooit naar gezocht.

Maar daar scheen ineens licht van buiten naar binnen. En een stem riep, dat ze allemaal naar buiten mochten komen en dat het huis weer hun eigendom was geworden.

Degenen die zich het dichtst bij de voordeur bevonden, liepen een beetje onwennig naar buiten. Oh ja het licht was veel te fel en ze moesten hun ogen nog wat beschermen, maar langzamerhand begonnen ze de schoonheid en de warmte te ontdekken, die hun omstraalde.

Velen rolden van blijdschap over het gras, dat ze nog nooit hadden gezien of gevoeld. En anderen stonden ademloos te luisteren naar de vogels die hun lied zongen.  

Oude glorie

De oude vriend had zijn woord gehouden: de hulp was gekomen. En hij had de sleutels weer teruggevorderd van de vreemdeling. Die was echter nog steeds in het huis. Niet meer legaal, maar toch. Iedereen was er zo aan gewend dat het nog steeds niet echt opviel.

Maar zo langzamerhand gingen er weer mensen terug in het huis om te vertellen, dat iedereen naar buiten mocht komen, om kennis te maken met de hulp die de oude vriend had gestuurd. Ze mochten naar buiten komen om te genieten van het mooie weer en de warmte van de zon.

Maar velen van degenen die in het huis waren vonden het maar flauwekul. Wat je hebt, weet je en wat je krijgt moet je maar afwachten, riepen ze dan en gingen weer door met elkaar het leven zuur te maken.

Anderen lieten zich door de vreemdeling wijs maken, dat het helemaal niet waar was: er was helemaal niet iets buiten, dat mooi, warm en zonnig was. Nee, vertelde hij dan met veel overtuiging, in huis is het pas goed en een deur? Nee, dat was een fabeltje. En velen geloofden het.

Maar toch geeft de vriend het niet op, want hij heeft werkelijk een hart voor de zaak. Hij motiveert en mobiliseert al degenen die buiten zijn en vormt ze als het ware tot een leger. En met dat leger trekt hij rond in het grote huis om de vreemdeling uit het huis te krijgen en om te vertellen aan de bewoners dat hij de sleutel weer in zijn bezit heeft.

En steeds meer bewoners laten zich overtuigen en voegen zich in het grote leger. Want 1 ding heeft hij in zijn hoofd gezet: het huis zal weer worden hersteld in zijn oude glorie. Alle deuren en ramen zullen eens weer openstaan en de zon zal weer in elk vertrek zijn warmte brengen, geuren zullen weer door het huis wervelen en de zang van de vogels wordt weer gehoord.

En het belangrijkste: de bewoners zullen weer wandelen met hun vriend, hun oude eeuwige vriend, die het nooit heeft opgegeven.

 Bron: MSNgroup In Gods Handen