De Verzoeking
Hoe om te gaan met verzoekingen, het lijkt op het eerste gezicht een makkelijke vraag: gewoon niet op ingaan. Maar zo simpel is het vaak niet. Verzoekingen kunnen soms op een hele subtiele manier op ons pad komen en voor we het weten trappen we er in.
Ik denk dat één van de grootste verzoekingen die we als christenen in deze dagen meemaken materialisme is. Alles wat we nodig hebben om gelukkig te worden is te koop of te verkrijgen. Als je de reclames moet geloven ligt uiterlijke schoonheid voor iedereen voor het grijpen door middel van een potje of tubetje .
Zo werkt het natuurlijk niet, geluk is niet te koop. Wij vinden ons geluk in Jezus, in de zekerheid om zometeen bij Hem te mogen zijn.
Dat betekend niet dat we op deze aarde als armen moeten rondlopen, maar dat ons welzijn niet afhangt van het hier en nu. Onze schat ligt in de hemel.
Toch is er juist onder christenen een enorme dwaling aan de gang, die is over komen waaien vanuit Amerika. De Word of Faith beweging. Hierin leren we dat als ons geloof maar groot genoeg is dat we alles zullen ontvangen wat we bidden.
Natuurlijk staan er teksten in de bijbel dat als je bidt dat je zult ontvangen. Er staan voorbeelden van rijke mensen in de bijbel. Maar zoals een spreekwoord zegt: Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen.
Is het grote gevaar van rijkdom niet dat we gaan denken dat we God niet nodig hebben? Is dat niet wat je steeds meer ziet gebeuren? Mensen hebben het goed, er is weinig tot geen armoede hier in het westen.
God wordt gezien als Suikeroom. Ik vraag, Hij geeft. Ik heb zoveel gedaan, Hij moet me nu wel zegenen. Toch zien we in de verzoeking in de woestijn hoe Jezus Zelf hiermee omgaat.
2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3 Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’ 4 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ Math. 4:2-4
Ik denk dat deze tekst een dubbele betekenis heeft. Als eerste een letterlijke. Jezus heeft 40 dagen gevast en heeft uiteraard honger. Maar in plaats van de makkelijke weg te nemen en te vallen voor de verleiding om Zijn honger te stillen, houdt Hij vol totdat Zijn Vader het hem zal geven.
Ten tweede denk ik dat we hier een vergelijking kunnen maken met het huidige christendom. Jezus wijst de aanbieding af om voor Zichzelf te kiezen, Hij wacht op wat God doen gaat. Hij wil geen directe bevrediging van Zijn aardse lichaam. Dat is wat er tegenwoordig juist wel gebeurd. Ik bid en ik wil het nu per direct. Geld, macht, spullen. En dat allemaal onder het mom dat God niet wil dat we arm zijn.
Ik denk dat God het ’t allerbelangrijkste vindt dat u geestelijk niet arm bent. Dat u rijkdom verzamelt in de hemel door te leven zoals Hij het van u vraagt. Want vergis u niet alles wat de wereld wilt en heeft is een verwrongen afspiegeling zoals God het bedoeld heeft.
Kijk eens naar de gaven van de Geest. Deze zijn er tot opbouw van het lichaam van Christus, maar tegenwoordig lijkt het eerder tot opbouw van het individu te zijn. Probeer zoveel mogelijk gaven te “ontwikkelen” . Het gaat niet neer om de Gever, maar om de gaven. Het gaat niet meer om de Schepper, maar om de schepping.
Juist deze leugens en misleidingen sluipen steeds meer de kerk binnen. Zoals een vergif langzaam maar zeker zijn werk doet, zo doet dit vergif ook het werk waarvoor het uitgegoten is. Het langzaam van binnen uit vernietigen van Gods waarheid.
Laten we daarom zorgen dat we genoeg tegengif in huis hebben, door in de waarheid te blijven die we vanuit Gods woord hebben ontvangen. Laten we dan de weg gaan Die Jezus voor ons vrijgemaakt heeft, de weg naar de Vader. Onder de leiding van de Heilige Geest, zodat we aan zullen komen op onze hemelse eindbestemming.
7 Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. 8 Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige Rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar Zijn komst hebben uitgezien. 2 Tim 4:7-8.