Hoe kom je aan die kar?
Toen ik op 35-jarige leeftijd van een revalidatiearts het advies kreeg om
een rolstoel te gaan gebruiken, voelde ik dat toch als een capitulatie,
een afgang. ‘Een rolstoel… dan ben pas je écht gehandicapt,’
zo was me geleerd.
M’n eerste was zo’n degelijke duwrolstoel met chroom en blauw.
Vijf jaar later verscheen een electrokar, op het toneel.
Gelukkig hoefde ik nu niet meer geduwd te worden.
Ik kon mezelf weer voortbewegen.
Je zag ze in die tijd nog niet zo veel en toen ik de eerste keer
met hem op stap ging, voelde ik alle ogen op me rusten. Ik vond het
verschrikkelijk! Om hier wat van te bekomen, kocht ik een chocoladecroissantje,
dat ik in een zonnig hoekje van een stil straatje op wilde smikkelen. Dat ging
niet door, want ik kreeg gezelschap.
Een jongetje van ongeveer zes jaar liet z’n fietsje naast me vallen. Hij had een
rood, wat gehavend trainingspak aan met een gestreept T-shirtje daaronder. Z’n
haren stonden alle kanten op. Hij had vuile vegen op zijn toet en grote, bruine
ogen. Zo uit het vuur van zijn spel belandde hij naast de Fortress en mij. ‘Wat
heb jij daar voor kar?’ was zijn eerste vraag.
De vragen volgden elkaar in snel tempo op. Het ventje bleek zeer technisch
gericht te zijn; zijn kennis ging bijna verder dan de mijne. Techniek
interesseerde me ook niet echt. Tot nu toe had de emotionele kant van ‘mijn kar’
meer mijn belangstelling. Maar dat interesseerde hém weer niet. ‘Hoe snel kan
hij?’, ‘Moet er benzine in?’, ‘Hoe moet je hem starten?’, ‘Kun je die banden
oppompen?’, ‘Kan hij natregenen?’, ‘Heeft hij ook knipperlichten?’, ‘Kan hij
toeteren?’ Ik beantwoordde al zijn vragen.
Dit genre vragen ligt me, ondanks m’n
technisch manco, beter dan dé vraag over de oorzaak van m’n handicap en het al
dan niet inenten die ‘grote mensen’ zo graag stellen.
De laatste vraag die hij op me afvuurde, was niet zo gemakkelijk te
beantwoorden: ‘Hoe kom je aan zo’n kar?’ ‘Hoe leg ik dat uit aan een zesjarige,
zonder in de doolhof van voorzieningenland terecht te komen,’ dacht ik snel.
‘Weet je,’ zei ik, ‘als mensen niet zo goed kunnen lopen, krijgen ze zo’n kar van
het ziekenfonds, want dan is het net of ze toch een beetje kunnen lopen. Dan
kunnen ze toch hun boodschappen doen en zo...’
Vooral het woordje ‘krijgen’ deed hem blijkbaar iets. In de rest van m’n uitleg
was hij niet geïnteresseerd. Er kwam iets van afgunst in z’n bruine kijkers.
‘Bof jij even…’ was z’n laatste reactie. Hij pakte z’n fietsje en racete weg.
Hoewel hij geen weet had van aanvragen, voorwaarden en commissies, voelde hij
snel en feilloos aan dat hij niet voldeed aan de criteria om ook zoiets moois te
bemachtigen. Verbouwereerd over deze uiterst logische en psychologisch rake
conclusie keek ik hem na.
Zo had ik het nog niet bekeken. Er moest me blijkbaar
iets aangezegd worden. Ik had het gevoel dat ik een bezoekje had gehad van een
engel. Soms rijden die blijkbaar op een roestig rood fietsje en hebben ze vuile
vegen op hun toet. Af en toe denk ik nog terug aan dat boeiende gesprekje dat op
het juiste moment plaatsvond. Het jongetje had gelijk. Ik ben een boffer dat ik
‘zomaar’ zo’n kar krijg en er in rond mag rijden. Zo vrij als een vogel.”
Bron:Ali Demper